nieuws

Arbeidsmarkt bouw staat voor dilemmas

bouwbreed

In de vakopleiding voor de bouw wordt men geconfronteerd met de gevolgen van de recessie. Het wordt moeilijker om jongeren een continue leer- en arbeidsplaats te bezorgen bij een onderneming of een samenwerkingsverband. Met name in de burgerlijke- en utiliteitsbouw is het zeer de vraag of dit opleidingsjaar de instroomdoelstelling wordt gehaald. Ook bij de scholings- en werkervaringspoen (SWEV’s) in de bouwnijverheid zijn de symptonen zichtbaar.

In 1992 waren er ongeveer 20000 werklozen in de bouwnijverheid. In de gehele Nederlandse economie blijft ook dit jaar volgens het Centraal Planbureau de werkloosheid stijgen. Ook de bouwnijverheid ondervindt de gevolgen van deze recessie.

Een afnemende werkgelegenheid en een in beperkte mate stijgende werkloosheid doen zich voor. Het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer raamt voor 1993 een produktiedaling van twee tot drie procent. Overigens nam in de tweede helft van 1992 het aantal vacatures reeds fors af.

De voortgaande werkloosheidsstijging blijkt uit gegevens van het Sociaal Fonds Bouwnijverheid. Mogelijk wordt de toename van de werkloosheid afgeremd door een afname van de toestroom van werknemers die in de bedrijfstak komen werken. Toenemende leegloop als gevolg van caoafspraken ten aanzien van werkgelegenheidspoen doet zich ook voor. Juist nieuwe toetreders en met name moeilijk plaatsbare doelgroepen ondervinden de gevolgen van de recessie die instroommogelijkheden beperkt.

Marktontwikkelingen op de korte termijn maken dus instroombevordering, scholing en vakopleiding extra moeilijk. De middellange termijn geeft een ander beeld. Een rapport van het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (EIB), gemaakt in opdracht van de Stichting Bouw-vakwerk, raamt dat gezien de te verwachten vraag/aanbod verhoudingen tot 1998, de benodigde instroom via de weg van het leerlingwezen met ongeveer een kwart moet stijgen. Ruwweg betekent dat elk jaar 5% groei van die instroom.

Het aandeel vakopleiding in de totale instroom zou dus dienen te stijgen van ongeveer 24% tot 26%. Dit tegen de mogelijke achtergrond van te verwachten te korten in het aanbod. De uitstroom uit LTO bouw en zeker MTO bouwopleidingen naar de bedrijfstak zullen nog verder teruglopen. Marktontwikkelingen op de langere termijn blijken dus instroombevordering, scholing en vakopleiding op de korte termijn extra noodzakelijk te maken.

Tegen de achtergrond van een ruimere arbeidsmarkt op de korte termijn en een krapper wordende arbeidsmarkt op de middellange termijn moet in de bedrijfstak het instroom- en opleidingsbeleid voor 1994 worden vastgesteld.

Dilemmas doen zich met name voor in de sfeer van de vakopleiding. Moet bij een terugvallende markt geprobeerd worden de opleidingsinspanning te vergroten? Is het niet doelmatiger en effectiever om in zon situatie het opleidingsrendement te proberen te vergroten en meer nadruk te leggen op succesvolle uitstroom dan een zo hoog mogelijke instroom? Het op peil houden van de instroom zal in 1993/1994 zelfs met nieuwe instrumenten als financiele garanties voor samenwerkingsverbanden, schakeltrajecten voorafgaand aan het leerlingwezen en een instroomcampagne een hele opgaaf worden. De Stichting Bouw-Vak-Werk pleit derhalve voor een extra inspanning.

Daarbij is echter het volgende van belang. Tot 1992 is de werkgelegenheidsituatie in de bouwnijverheid aanzienlijk verbeterd. De instroom van werknemers tot de bouwnijverheid leverde geen ononverkomelijke problemen op. Ook de instroom in het leerlingwezen is goed op peil gebleven. Ondanks knelpunten heeft de bouwnijverheid de te jaren niet echt een instroomprobleem gekend. De echte problemen zullen zich pas voordoen wanneer het economisch herstel zich af gaat tekenen. Het grote risico voor de bedrijfstak is daarom dat onder de druk van de huidige recessie, die hopelijk in de loop van 1994 gevolgd zal worden door herstel, de opleidingsinspanning verminderd zal worden. Niet alleen op het gebied van het leerlingwezen maar ook ten aanzien van de bij- en herscholing van werklozen.

Wanneer dat zou gebeuren zou de bedrijfstak met een extra handicap te maken krijgen. Terrein dat eenmaal verloren is, is niet gemakkelijk terug te winnen. Jongeren die geen leer- en arbeidsplaats vinden of uitvallen tijdens de opleiding om wat voor reden ook worden niet gestimuleerd om in de bedrijfstak te blijven werken. Werklozen, die na scholing geen baan vinden zoeken hun heil elders. Het is derhalve zaak dat ook in de huidige periode van economische teruggang de bedrijfstak en alle daarbij betrokken bedrijven alles op alles zetten om de scholingsinfrastructuur en scholings- en vakopleidingsinspanning op niveau te houden. Dan wordt een stevig fundament gelegd voor een arbeidsmarktontwikkeling in de komende jaren. Dan snijdt het mes aan twee kanten.

Enerzijds doet de bedrijfstak dan alles om de personeelsvoorziening op niveau te houden. Anderzijds levert ze een bijdrage aan voorkonming en bestrijding van werkloosheid. Bovendien wordt potentiele nieuwe werknemers duidelijk gemaakt dat de effecten van conjuncturele schommelingen op het gebied van opleiding en scholing beperkt zijn. De keuze voor de bouw is dan ook een keuze voor een baan met perspectief.

Jan Beerink

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels