nieuws

Nederlandse modellen van de baan

bouwbreed

De gebroeders Eysink, fabrikanten van de eerste benzineauto in 1879, beklaagden zich begin deze eeuw al over het geringe nationale gevoel van kopers bij de aanschaf van een auto:’Koopt Nederlandsche waar, dan helpen wij elkaar.’ Het is een van de personenautofabrieken die de afgelopen anderhalve eeuw uiteindelijk de deuren moest sluiten.

Ondanks dat deze industrietak nooit langdurig floreerde, verschenen in Nederland zon 200 modellen, waarvan een veertigtal zijn bijeengebracht in de Rotterdamse Kunsthal.

De creaties zagen het levenslicht niet alleen in fabrieken en garages maar ook binnenshuis, met alle problemen van dien. Zo ontwierp de heer Rombouts uit Waalwijk begin jaren zestig een open vierwielig wagentje dat door een 90 cm brede deuropening kon worden gemanoevreerd. Tien jaar later stuitte de uitstekende radiateuruitstulping van een gesloten Fiat 600-versie op de deurposten. De gemeente bracht uiteindelijk oplossing door toestemming te geven voor het aanbrengen van een extra scharnierpaneel naast de toegangsdeur.

Verreweg de meeste ontwerpen kwamen niet verder dan de schetsontwerpfase, een schaalmodel of een prototype.

Het na de Tweede Wereldoorlog als zuinige volksauto gelanceerde Barkeymodel bleef steken in een houten proefmodel door gebrek aan financiele middelen. Overigens kreeg de eerste Nederlandse auto, die op 22 maart 1834 door de straten van Groningen reed, wel een financiele tegemoetkoming. Koning Willem I kende aan het po een aanmoedigingsprijs van f. 600 toe. Van verdere experimenten van de ontwerpers, de natuurkundige prof. dr. S. Stratingh en Chr.

Becker, is daarna echter niets meer vernomen. Het enige wat nog uit die tijd dateert is een schaalmodel van een elektromagnetisch autootje dat ook in Rotterdam is tentoongesteld.

In Nederland heeft het in ieder geval niet ontbroken aan doorzettingskracht en/of inventiviteit, zoals uit de namen (Renvogel, Econoom, Ruiter, Vlam) is af te leiden. Daarnaast baarden ook modellen zonder naam opzien, zoals een driewielig bouwsel dat de heer Salters in 1951 maakte van aluminium en zeildoek en voor was uitgerust met versterkte autoped–wieltjes. Het vehikel reed wel een op zestig!

Tot de jaren vijftig waren er veel carrosseriebedrijven die op een chassis-met-motor van buitenlands fabrikaat een koetswerk aanbrachten. Op basis van een VW-kever ontstond zelfs een auto met een carrosserie en interieur van rotan. Personenautofabrieken die voor een langere periode en op grotere schaal produceerden werden veelal vroeg of laat tot sluiting gedwongen. De in 1880 opgerichte autofabriek Spijker, bouwer van de Gouden Koets, ging langzaam maar zeker haar ondergang tegemoet omdat het zich na de Eerste Wereldoorlog teveel toelegde op dure kwaliteitsautos in plaats van in te spelen op de grote behoefte aan eenvoudige, goedkope en zuinige autos. Gedurende de Tweede Wereldoorlog daalde de Nederlandse autoproduktie fors.

Daf bereikte in 1973 nog een jaarproduktie van rond de 100000 personenautos. Desondanks moest het een groot deel van zijn aandelen overdoen aan het Zweedse Volvo.

Naast de onder de nieuwe merknaam verschenen autos staan in de Kunsthal alle types Daf-personenauto, temidden van verwelkte bloemen, opgesteld.

Autodesign in NL is tot en met 28 maart te bezichtigen in de Kunsthal Rotterdam, gelegen aan de Westzeedijk 341.

Geopend:di t/m za van tien tot vijf uur. Zondag: elf tot vijf uur. Toegang:f. 10. Het boek ‘Autodesign in Nederland’

kost f. 49,50.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels