nieuws

Beelden die blijven boeien

bouwbreed

De beeldhouwkunst heeft met architectuur gemeen dat zij onlosmakelijk met ruimte is verbonden. In de jaren zestig hield een groep kunstenaars, beivloed door de politiek-culturele ontwikkelingen, zich in hun werk intensief met deze ruimte bezig. Zij wilden met andere dan voor die tijd gebruikelijke vormen en materialen de beschouwer bewust maken van zijn directe omgeving. Op welke manier zij daarin slaagden is nu te ervaren in London waar een overzichtstentoonstelling aan hun werk is gewijd.

De desbetreffende kunstenaars zijn afkomstig uit Amerika (Eva Hesse, Robert Morris, Bruce Nauman, Richard Serra, Robert Smithson, Keith Sonnier) en West-Europa (Giovanni Anselmo, Luciano Fabro, Jannis Kounellis, Mario Merz, Giulio Paolini, Guiseppe Penone, Michelangelo Pistoletto, Gilberto Zorio, Barry Flanagan, Richard Long, Marcel Broodthaers, Panamarenko, Joseph Beuys, Reiner Ruthenbeck). Hun sculpturen laten zich moeilijk beschrijven; veelal niet herkenbare vormen die misschien om die reden vaak geen titel meekregen. De gebruikte materialen zijn divers. Om een indruk te krijgen; op elkaar gegooide vodden in een vierkant met daarop een glazen plaat waaronder drie fluitketels die ook daadwerkelijk stoom produceren (Pistoletto; Orchestra di stracci-trio, 1968). Zelfs een levende papegaai maakt onderdeel uit van een kunstwerk (Kounellis; zonder titel, 1967). De objecten zijn niet bedoeld voor visueel genot maar moeten worden gezien als een instrument om op een andere manier tegen dingen aan te kijken.

Het werk stamt uit de periode 1965-1975, een tijd waarin nieuwe ruimten werden ontdekt en onderzocht. Met de wetenschap dat ruimte niet alleen met de ogen is waar te ne men, benaderden deze kunstenaars die ruimte als een materiaal dat vorm kan worden gegeven. Zo visualiseert Pistoletto ruimte door een in een vergulde lijst gevatte spiegel doormidden te snijden en de delen haaks naast elkaar aan de muur te hangen (Divisione e moltiplicazione dello specchio, 1975-9). Een blik in de spiegel laat een ruimte zien die je op geen enkele andere manier zou ke waarnemen.

Ook de ruimte die je zelf inneemt is te pakken. Anselmo verwoordt dit door het woord ‘visibile in de ruimte te poeren (Invisibile, 1971). Wie voor het dia-apparaat gaat staan ziet de tekst, die voor zich spreekt, op zijn kleren verschijnen.

Daarnaast blijkt het ook mogelijk om de ruimte die binnen het beeld ‘gevangen’ is, die door het beeld omsloten wordt, de leegte, de openingen te ervaren. Nauman heeft daartoe een ijzeren kooi om een tweede ijzeren kooi geplaatst (Double steel cage piece, 1974). Door je in de smalle tussenruimte tussen de objecten te wringen, krijg je een gevoel van opgesloten zitten.

Alle kunstenaars blijken een meester in het manipuleren van de ruimtelijke beleving door bijvoorbeeld lichte objecten hoog boven en zware objecten dicht bij de grond te plaatsen. Een stuk kei dat aan een stalen kabel hoog aan de muur is bevestigd (Anselmo; zonder titel, 1969) en elk moment naar beneden dreigt te vallen geeft een gevoel van nietigheid. Een berg gevormd door vilten stroken op de grond (Morris; zonder titel, 1970) heeft het tegenovergestelde effect. Onze kennis over zwaartekracht werkt daarbij verwarrend.

De beeldhouwkunst heeft ten opzichte van de schilderkunst lange tijd een tweede plaats ingenomen. Hierin kwam pas na 1950 verandering toen men vanuit de behoefte om een zo groot mogelijk publiek met kunst te confronteren de skulptuur meer ruimte gunde.

Paolini lijkt die verandering te hebben willen weergeven in Hi-fi (1965). In het schilderij dat grotendeels zwart is beschilderd zijn de kontouren van een persoon te onderscheiden, die vanaf zijn middel buiten het eigenlijke doek staat. Of de personage zich los probeert te rukken uit het zwarte vlak of er juist een geheel mee wil vormen, is aan de beschouwer om te oordelen.

De tentoongestelde ruimtelijke objecten wekken een spanning tussen het zintuiglijke en het illusionistische. Dat is mogelijk omdat beeldhouwkunst driedimensionaliteit kan bereiken.

Flanagan laat dat zien door een lichtstraal op een aantal jute zakken te richten die, gevuld met zand, in een hoek tegen de muur van een vertrek leunen. Het effect is dat het licht, zelf gewichtloos, op de zakken lijkt te leunen (Light on light on sacks, 1969).

Licht zorgt voor ruimtelijkheid en transparantie en suggereert beweeglijkheid. Ook geestelijke ruimte moet transparant zijn wil er sprake zijn van een uitwisseling van gedachten en ideeen. Deze intellectuele benadering van ruimte, met als doel vastgeroeste opvattingen in beweging te krijgen, is terug te vinden in het werk van Beuys. Een telefoon die naast een stuk klei op een houten plank is geplaatst (Erdtelephon, 1968) wordt ‘gemaakt’

door de creativiteit van de beschouwer. En dat biedt zicht op perspectief.

‘Gravity en Grace, the changing condition of sculpture is tot 14 maart te zien in de Hayward Gallery te London.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels