nieuws

Koopkracht in ’93 omlaag

bouwbreed

Op papier ziet het inkomensplaatje 1993 er niet eens zo slecht uit. Berekeningen tonen aan dat de koopkracht van Jan Modaal ongeveer op peil blijft. Toch gaat bij veel mensen in de praktijk het besteedbaar inkomen achteruit.

De dans rond het inflatiecijfer begon op Prinsjesdag. In september ’93 hield de regering nog rekening met een inflatie- correctie van 3,75%. De valuta–crisis en bijgestelde macro- economische verkenningen van het Centraal Planbureau maakten kort daarop duidelijk dat de economische groei dit jaar zeer matig zal zijn.

Ietsje boven de 1% met de prognose dat de inflatie daalt naar 2,25%. Onze Nederlandse gulden wordt steeds harder.

Voor het koopkrachtplaatje is belangrijk hoe de regering omgaat met de inflatie-correctie.

Van die oorspronkelijke 3,75% wilde de regering eerst de tarieven loon- en inkomstenbelasting met 2,5% verlagen (verschil 1,25%). Maar nu de inflatie lager uitpakt, heeft de regering de belastingtarieven slechts met 0,7% verlaagd (verschil 1,55%). In de oren van de burger klinkt dat natuurlijk als muziek:’een belastingverlaging’. Het is helaas veel te weinig. De regering steekt daarmee in een hand–omdraai enkele miljarden extra belastinggeld in de knip.

Om de koopkracht te handhaven, zouden de belastingtarieven namelijk met de volledige inflatiecorrectie van 2,25% omlaag moeten.

Het gevolg is nu dat zonder loonaanpassing de belastingdruk relatief hoger wordt.

Let wel, wij praten hier over de inflatiecorrectie in 1993 terwijl bij veel tweejarige caos pas straks in het voorjaar -achteraf over het inflatie-opschoningspercentage over de afgelopen twee jaar moet worden onderhandeld. De bouw is hierop een uitzondering. De salarissen van bouwvakkers stijgen per 1 januari 1993 met 2,10% vanwege de prijscompensatie. Op dezelfde datum zijn de salarissen van uta-personeel met een inflatiecorrectie van 1,75% opgetrokken. Dat was al bij de onderhandelingen in 1992 afgesproken.

Schijventarief De tabel toont de gevolgen van de inflatiecorrectie op het drieschijventarief in 1993. In de eerste schijf is het tarief van 38,40% opgebouwd uit 13% belasting en 25,40% premies volksverzekeringen, aow, aww, aaw en awbz. Die koppeling tussen premies en belastingtarief is ingevoerd bij de Oort-operatie (’89-’90). Op het ogenblik is het hele premiestelsel opnieuw in beweging. Zo wil staatssecretaris Simons dat de awbz wordt omgebouwd naar een ‘volksver-zekering’

ziektekosten. Begin ’92 dacht de staatssecretaris nog dat de premie van de ziektekostenverzekering met 20 tot 30% omlaag kon en kwam hij in aanvaring met de ziektekostenverzekeraars. Onderzoek van Moret en Berenschot heeft inmiddels aangetoond dat zij vrij goed hadden gerekend. Iedereen heeft in 1992 de effecten in zijn loonzakje gemerkt.

Dat is dan weer de realiteit van de praktijk. Als de overheid er niet in slaagt de hoogte van de ziektekosten te beheersen en de overheveling van kosten van artsen en dergelijke uit het ziektekostenpakket naar de awbz niet nader bestudeert, dan heeft dat onmiddellijk effect op de awbz-premie. En dat heeft dan nota bene directe gevolgen voor het tarief in de eerste belastingschijf. De overheveling van ziektekosten uit het ziekenfonds naar awbz zou in principe een evenredige daling van zfw-premie tot gevolg moeten hebben. Zover is het nog lang niet. Awbz betaalt iedereen, ongeacht z’n inkomen.

Gaat dit soms betekenen dat de particuliere ziektekostenverzekering straks overbodig wordt?

Onroerende zaken Voor de tarieven van gemeentebelastingen gaat de overheid heel anders om met de inflatiecorrectie, zoals bijvoorbeeld de belasting ‘onroerende zaken’.

Al in augustus/september hebben gemeentes koninklijke goedkeuring gevraagd op de wijzigingen van hun belasting tarieven per 1 januari 1993.

Natuurlijk, u raadt het al:gebaseerd op het hoge inflatiecijfer van 3,75% waarmee immers toen nog werd gerekend, afgerond naar 4%. Daar komt nog bij dat landelijk alle gemeentes overschakelen van het oppervlakte- naar het waardesysteem voor de heffing van onroerend-goedbelasting.

Wie het slecht treft krijgt in 1993 naast de tariefsverhoging vanwege inflatie met een extra gemeentelijke belastingverhoging onroerende zaken te maken.

Huurwaardeforfait Dan is er nog de stapsgewijze jaarlijkse verhoging van het huurwaardeforfait tussen 1991 en 1994 -in totaal een verzwaring van ruim 80%.

Ook alweer vanwege de doorberekening van de waardestijging van het prive onroerend goed door de inflatie en het effect van huurverhogingen. De eigenaar van een huis met een vrije verkoopwaarde van f.300000 (tariefgroep f.170001 t/m f.220000) moest in 1991 nog voor ‘woongenot’ f.2865 bij het belastbaar inkomen optellen en in 1992 f.4250. In 1993 gaat de bijtelling f.4930 en in 1994 zelfs f.5610 bedragen.

De conclusie is dat de overheid met twee maten meet. Een lage inflatiecorrectie van 0,7% als het gaat om de verlaging van belastingtarieven en een hoge inflatiecorrectie van 4% bij de heffing van gemeentelijke belastingen en het huurwaardeforfait. Inmiddels toch maar volhouden dat de koopkracht gemiddeld op peil blijft.

Voor vragen en opmerkingen:Paul Schol, tel.: 085-209500.

.

kader bij ondernemerschap Koopkracht

Loon- en inkomstenbelasting 1993

38,40% incl. premie f.0 tot f.43267

50% f.43267 tot f.86532

60% f.86532 en meer

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels