nieuws

Chateau Lagrange met Japanse fondsen langzamerhand terug naar oude glorie

bouwbreed

Als men bij een chateau in Bordeaux van een veel bewogen verleden kan spreken, dan is het bij de derde cru Chateau Lagrange in St. Julien wel. In de vier eeuwen van zijn bestaan kende het zeer grote wijngoed vele namen, minstens vijftien eigenaren van Franse, Spaanse, Britse en in 1841 een jaar van Nederlandse nationaliteit en perioden van grote bloei en van treurig verval. Sinds een jaar of tien lijkt onder Japans management de glorie definitief teruggekomen.

Al in de middeleeuwen was er sprake van wijnbouw op wat toen Lagrange de Monteil Manor heette. Omstreeks 1600 was de familie Vivien, een bekende naam in de wijnbouw van de Bordelais, er aan het bewind. Twee eeuwen en zeker zes eigenaren later was er sprake van welvaart en bloei en omstreeks 1850 werd het zelfs als een ontmoetingsplaats voor de groten der aarde beschouwd. Een paar decennia later kwam er de klad in door de phylloxera, de druifluisramp en een meeldauwepidemie.

Twee Basken, wijnmaker Manuel Cendoya en industrieel Jose Telleria, kochten de bezitting in 1925. Hoewel aan hun goede bedoelingen, noch aan hun kunde dient te worden getwijfeld, hadden zij (te) veel tegen: economisch ging het toch al niet best en bovendien noodzaakte een langdurige periode van slecht weer hen een aantal achtereenvolgende oogsten te declassificeren. Ondanks al hun moeite slaagden zij er niet in Lagrange de oude luister te hergeven en door financiele nood gedwongen moesten zij diverse malen stukken grond aan de buren verkopen.

Zoon Jesus Cendoya verkocht de onderneming (nog maar 157 van de eens 300 ha, waarvan nog maar 56 beplant) eind 1983 aan de Japanse drankengigant Suntori, geen onbekende in de wijnwereld. Die pakte de zaken op de enig logisch lijkende manier aan: door het vernieuwen van management, aanplant en outillage en het verschaffen van de middelen voor al die investeringen.

Topman Keizo Saji en zijn vicepresident Shin Torii stelden de wereldbekende oenoloog professor Emile Peynaud als adviseur aan en diens leerling Marcel Ducasse als directeur. Al in korte tijd werden de verbeteringen manifest.

Ducasse liet bij John Halvemaan in Amsterdam een uitgebreid assortiment van zijn eerste (Chateau Lagrange) en tweede (‘Piefs de Lagrange) wijn proeven. Het werd duidelijk dat Lagrange weer helemaal in het topklassement terug is. Onberispelijke wijnen, harmonisch, sterk en bestand tegen Halvermaans avantgardische culinaire composities (zoals hazerug in een jasje van bloedworst). Hoe was het voor 1983? Wij konden de vergelijking niet maken, omdat er geen wijnen van het ancien regime beschikbaar waren. In hun boeken terzake had croniqueur Pieter Taselaar er weinig klachten over, maar wijnschrijver Hubrecht Duijker wel. Ducasse zelf zei ze ‘onder de maat’ te vinden. Omdat Lagrange geen vaste importeur in ons land heeft, zult u deze belangwekkende derde cru zelf moeten vinden bij degene die er het minst voor rekent.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels