nieuws

Moskee nooit gebouwd

bouwbreed Premium

De opdrachtgever van een architect moet samen met hem aan de hand van een duidelijk programma van eisen het bedrag vaststellen dat ongeveer met de uitvoering van het bouwpo gemoeid zal zijn.

Doen zij dit niet, dan ke problemen ontstaan als de overeenkomst tussen beiden voortijdig wordt beeindigd.

Ligt de reden daarvoor in de onuitvoerbaarheid van het plan, dan regelen de SR 1988 (dat zijn de standaardvoorwaarden, die de rechtsverhouding tussen opdrachtgever en architect regelen) wat de opdrachtgever aan de architect moet betalen.

Als het bedrag van de bouwkosten echter niet is vastgesteld kan de opdrachtgever moeilijk de overeenkomst met zijn architect opzeggen wegens financiele onuitvoerbaarheid. Aan de andere kant moet de architect natuurlijk ook weten aan welke financiele grenzen zijn ontwerp gebonden is.

Toen in 1989 een architect de opdracht voor de bouw van een moskee aanvaardde, had hij wel wat zorgen over de vraag of het programma van eisen wel gerealiseerd kon worden voor een bouwkundige aanneemsom van f. 450000, die door de afdeling Bouw- en Woningtoezicht was berekend.

Hij stelde daarom aan zijn opdrachtgever voor om in januari 1990 te onderzoeken hoe goedkoop het gebouw te realiseren zou zijn. Daartoe werd aan het aannemingsbedrijf T-Bouw gevraagd een calculatie te maken. Dat bedrijf hanteert namelijk een bouwprocede van gestapelde gasbetonblokken, dat erg geschikt leek voor de moskee, omdat die een gesloten karakter moest hebben.

Een maand later bleken de bouwkosten van de moskee f. 600000 te gaan bedragen, maar omdat de kleine Mohamedaanse geloofsgemeenschap die de moskee zou gaan gebruiken, nog gelden uit Saoudi-Arabie verwachtte, leek dat geen probleem. De opdrachtgever vroeg althans aan de architect om ten behoeve van fundraising activiteiten in het Nabije Oosten een maquette te maken, waarvan foto’s werden opgenomen in een boekje waarmee die activiteiten ondersteund zouden worden. De bestektekeningen en een afwerkstaat werden toen aan T-Bouw verzonden, maar al snel daarna liet die weten, dat hij het bouwkundig gedeelte voor f. 740000 kon realiseren. Daarbij kwam dan nog f. 114600 voor de technische installatie, zodat de kale bouw alleen al op bijna het dubbele van de eerste calculatie uitkwam.

Omdat de architect de redelijkheid van de offerte van TBouw niet kon ontkennen ging hij nog eens onderzoeken of er niet op de bouw bezuinigd kon worden, bijvoorbeeld door zelfwerkzaamheid. Dat bleek hooguit f. 200000 te ke opleveren. Dat was niet genoeg om de totale kosten door de bijeengebrachte fondsen te ke dekken.

Zes dagen nadat de bouwvergunning voor de moskee was ontvangen liet de opdrachtgever aan de architect weten, dat hij de opdracht herriep, niet vanwege financiele redenen, maar omdat er onoverkomenlijke bezwaren waren tegen het ontwerp, waarin onvoldoende rekening was gehouden met de wensen vanuit de traditie.

De architect kon daarop niet anders reageren dan door het sturen van zijn declaratie, maar die werd niet betaald.

Daarom daagde hij zijn opdrachtgever voor het Arbitrage Instituut Bouwkunst. Bij de behandeling van zijn eis door dat Instituut kwam de vraag naar voren of de architect de opdracht wel had mogen aanvaarden als hij van mening was geweest, dat de wensen van zijn opdrachtgever niet voor f. 60000 te realiseren waren. De overschrijding van de bouwkosten was niet te wijten aan nadere eisen van de opdrachtgever, want sinds de kosten van het plan door TBouw op f. 60000 waren geraamd was er niets meer aan gewijzigd.

Maar die raming was van latere datum dan de opdracht aan de architect en dat was de reden, dat de arbiters constateerden, dat er bij de aanvaarding van de opdracht geen afspraak was gemaakt over een bouwsom. Wel had de architect toen laten weten, dat de begroting die in een eerder stadium door de opdrachtgever was gemaakt (f. 450000) van weinig realiteitszin getuigde. Die begroting kon niet worden gezien, zeiden de arbiters, als het aangeven van de financiele grenzen door de opdrachtgever. Maar dat betekende niet, dat de architect zijn opdracht mocht bezien als een met een ‘open-end’ budget; dat had hij trouwens ook niet aan zijn opdrachtgever kenbaar gemaakt.

Voor de arbitrale beslissing was wel van belang, dat de opdrachtgever had ingestemd met de voortgang van de werkzaamheden, in ieder geval tot het moment waarop de architect het bedrag van zes ton voor het eerst had genoemd.

Tijdens de procedure bleef de architect trouwens volhouden, dat de moskee voor dat bedrag te realiseren was met de nodige zelfwerkzaamheid van de gelovigen, maar dat vond het Instituut niet realistisch. En dat betekende dat de architect niet had voldaan aan zijn verplichting om zijn opdrachtgever te voorzien van een voor dat bedrag uitvoerbaar ontwerp.

Daarom werd het recht van de opdrachtgever om de opdracht voortijdig te beeindigen door de arbiters gehonoreerd, want de onuitvoerbaarheid van het ontwerp is niet alleen een bouwkundige maar ook een financiele onuitvoerbaarheid, werd beslist. Omdat dit aan de architect was toe te rekenen zou de regeling in de SR gaan gelden. Die zegt, dat hij alleen recht heeft op het honorarium voor het voorlopige ontwerp plus de daarvoor gemaakte kosten.

Onverkorte toepassing van die regeling zou naar mening van de arbiters echter tot een onredelijk resultaat leiden. De opdrachtgever had immers zelf nagelaten zijn financiele grenzen aan te geven en had zelfs verzocht het voorlopig ontwerp te vergroten en om te zetten in een definitief ontwerp, omdat hij grote verwachtingen had over de resultaten van de fundraising in Saoudi-Arabie.

Op billijkheidsgronden werd daarom aan de architect ook het honorarium voor het definitief ontwerp toegekend.

Niet dat voor de ook door hem gemaakte bouwvoorbereidings-tekeningen want die werkzaamheden werden als prematuur beschouwd.

(BR 1993 p. 750)

Reageer op dit artikel