nieuws

Juweel van Richard Meier op Ulmer Munsterplatz

bouwbreed

Vanmiddag opent in het ZuidDuitse Ulm het Stadthaus op de Munsterplatz. Het ontwerp van Richard Meier werd bekroond in een prijsvraag voor acht min of meer bekende Duitse architecten en een Amerikaanse collega.

Meier spreekt zelf -in Ulm- van ‘zijn moeilijkste po’, dus problematischer dan het Haagse stadhuis. Desondanks verrees er een juweel van Meieriaanse bouwkunst, soms wat vrijpostig binnen het stadsbeeld en verbazingwekkend door de confrontaties daarmee van binnenuit het gebouw. Binnenkort vermoedelijk een dierbaar gebouw voor bewoners en bezoekers van Ulm.

Een juweel dus, maar daar valt op af te dingen. Juwelen worden gedragen als broche of dasspeld om de kleding op te smukken. Dat is ook het geval met dit Stadthaus dat geen raadhuis is, maar een huisvesting voor multifunctioneel gebruik dat het publiek ten dienste staat. Het witte hedendaagse juweel moet daarbij concureren met een overmaatse Munster en op een na hoogste gotische toren van Europa. Als men dat niet wil verliezen, terwijl het volume zoveel geringer is, dan ontstaat een wat krampachtige concurrentie. Tegenover dat hoogtepunt van Duitse gotiek wordt een minder fijn geprofileerd gebouw al gauw grof. Meier heeft zich daartegen verzet, met Meieriaanse vormwil die wellicht in zijn setting tegenover zon gotisch monument iets ingetogerner had gekund.

Bouwopgave

In 1875 vingen de stedebouwkundige problemen met de Munsterplatz in Ulm aan.

Het Barfusser-Kloster werd gesloopt om de monumentale gotische kerk en toren wat meer ruimte te geven. Sedertdien moeten er zeventien prijsvragen zijn georganiseerd voor een stedebouwkundig vervolmaken van de Munsterplatz. De laatste besloten prijsvraag in 1986 won Richard Meier & Partners uit New York. De tweede prijs ging naar Gottfried Bohm en de derde prijs naar Alexander Freiherr von Branca, terwijl 6 ontwerpen van min of meer bekende Duitse architecten geen prijs ontvingen.

Gevraagd werd om een herinrichting van de Munsterplatz, met daarop een zeg maar ‘huis voor de gemeenschap’, een multifunctionele voorziening voor exposities, restaurant, informatiecentrum, een zaal voor 300 personen en wat zaken als een krantenkiosk, openbare telefoon en toiletten.

Het gebouw staat tegenover de gotische toren, waar een winkelstraat als voetgangerspromonade op het plein uitkomt.

Meier werd niet gehinderd door aanpassingsangst; zelfbewust als de bouwpastoors van de kerk bouwde hij in opdracht van het gemeentebestuur een aanzienlijk kleiner complex met cilindrisch hoofdgebouw, een zijvleugel en een losstaande pergola met kiosk, telefoon en toiletten op een pleintje terzijde van de Munsterplatz.

Omgevingsontwerp

Nadrukkelijk onderdeel van de opgave was de herinrichting van de Munsterplatz.

Van parkeerterrein voor binnenstadsbezoekers werd het een voetgangersruimte, waar ook wekelijks markt wordt gehouden. Elders in Cobouw is vandaag een signalement opgenomen van de pleinbestrating met platen natuursteen.

Een krans van bomen zoomt het plein af, en verhult daarmee een vorm van typische naoorlogse ‘aanpassingsarchitectuur’ in de pleinwanden. Die winkelpanden hebben historische afmetingen met gevels van vijf tot zes meter breedte en een topgevel onder een haaks op de rooilijn geplaatste kap. Geen geschiedvervalsing in geveinsd historische trant omdat de gevels verder in de architectuur van de jaren vijftig zijn opgetrokken. Vanuit Manhattan stelde Meier dus verhullende bomen voor, met daartussen banken van natuursteen, tamelijk monumentaal, koud, hard en ongemakkelijk om even neer te strijken. Zulks in tegenstelling tot prettig zittende banken elders in de binnenstad.

Met Meier verwijl ik in gedachten nogal eens rond het Nieuwe Bouwen. Dat brak me op aan de Munsterplatz, gezeten op zon harde bank. Mart Stam vrij citerend vatte de gedachte post: een schroef is rond en iedereen weet waarom, het voornaamste bouwvolume op de Munsterplatz is rond en niemand begrijpt waarom.

De afgeronde bouwmassa vormt een solitair, onaangepast door vorm en overdadig witte kleur, maar niet vanuit een de functie ontwikkeld. Het bouwvolume vertegenwoordigt in de eerste plaats een cilindrisch bouwvolume a la Meier, zoals die steeds in zijn ontwerpen terugkeren, bijvoorbeeld in de bibliotheek van zijn Haagse stadhuisontwerp. Daar werd die ronding ten onrechte als citaat van de ronde hoek in Piet Kramers Bijenkorf twee bouwblokken verder op, door Meier gepresenteerd; dat is je reinste geschiedevervalsing. Meier citeert vooral zichzelf.

Verspreid over de wereld is daar niet veel bezwaar tegen als het om interessante inpassing gaat in binnen zijn ontwerpen.

Op de Munsterplatz kwam het me als overtrokken Selbstdarstellung voor.

Maar de jury koos uit de negen ontwerpen denk ik terecht dit plan. Want vanuit de monumentenzorg wordt aangedrongen op eigentijdse toevoegingen aan de afleesbare geschiedenis van historische stadskernen. De architectuur is in dat opzicht even respectabel als de winkelgevels er om heen uit de jaren vijftig. En wellicht komt er in de toekomst een enkele boom omheen die deze ijdelheid in het wit wat dempt.

Ruimtelijke relaties

Ondanks de brutale witte kleur en soms plaatselijk wat nadrukkelijke grote gesloten gevelvlakken treft men een scala van uiteenlopende ruimtelijke relaties in het gebouw aan. Arcades en glaspuien met doorkijkjes dwars door bouwvolumen heen, veroorzaken directe zichtcontacten tussen omgeving en gebouwde interieurs.

Komt men binnen dan versterkt die indruk nog meer en wordt de bezoeker continue geconfronteerd met het stadscentrum dat hem hopelijk dierbaar is. Zelfs in de tentoonstellingsruimten op de bovenste verdieping overheerst het zelfbewustzijn van middeleeuwers met hun hoge gotische toren, door het glasdak waarvan de vorm overeenkomt met drie kappen in de pleinwand er achter.

Bovendien treft de bezoeker overal balkons en dakterrassen aan; glasdeuren noden tot een uitstapje die het gebouw bij een drukke tentoonstelling of goed bezochte voorstelling in de pauze tot een Esser-effect kan leiden met overal zichtbare mensen. Vanmiddag bijvoorbeeld, en daarna zullen de deuren wel op slot gaan, zoals in het Museum fur Kunsthandwerk van Meier in Frankfurt. Want het nagestreefde beeld is in het praktische gebruik kennelijk niet haalbaar. We moeten ons tevreden stellen met de manifeste droom van de ontwerper. Het oog wil ook wat en krijgt heel wat ruimtelijke beelden te verwerken.

Onverdeeld enthousiast?

Geruime tijd geleden schreef collega Tom Maas dat critici zo zelden onverdeeld enthousiast kritisch ke zijn. Dat is waar, hij bewees dat persoonlijk veelvuldig. Dat doet niets af van die eeuwig durende betweterij waaraan critici zich terecht moeten overgeven. In het onderhavige geval neig ik echter naar pure bewondering en denk ik dat Richard Meier er niet ten onrechte de hele Nederlandse bouwpers uitnodigde als apperatief voor een hoofdschotel met het Haagse stadhuis. Dat passeer ik bijna dagelijks. Gezaaide twijfel in Meiers KNP-hoofdkantoor in Hilversum verbleekt niet in Den Haag, maar in Ulm voelde ik me licht bedwelmd.

Op Meiers Museum fur Kunsthandwerk in Frankfurt was wel wat aan te merken, dat overigens verbleekte bij vergelijking met andere participanten in het ontwerpproces van de Museumoever tegenover Mainhattan. Daarmee wil ik maar aangeven, dat men niet gauw feilloos ontwerpt, ook binnen die toen nog florisantere budgetten.

Het komt me voor, dat Meier de prijsvraag in Ulm terecht gewonnen heeft. De eeuwenoude ontstaansgeschiedenis van het stadscentum aan de Donau is recht gedaan met de gotische dom, als afspiegeling van een feodaal kerkelijk gezag. De incidentele restauraties van niet al te zwaar beschadigde historische gebouwen, en ook de duidelijke ‘aanpassingsarchitectuur’ uit de jaren vijftig gaan nu opeens vergezeld van een zo stralend witte Richard Meier. Het vertelt de passant iets meer over de geschiedenis van de stad en plaatselijke bestuurders. Uit de keuze voor deze Amerikaanse ontwerper (met 1 stem in de raad) spreekt een zelfbewuste politiek, die er niet op uit is van Ulm een oudheidskamer te maken. Voor de stad, die in vakkringen beroemd is door de hogeschool voor vormgeving, vormt een neomodern Stadhuis een tijdsbeeld en impuls aan het leven in de stad.

En zij die het daarmee niet eens zijn, vonden zich waarschijnlijk beter in de monkelende Michael Monninger in de Frankfurter Allgemeine, vorige week woensdag.

Bloemlezend schreef hij vrijgeciteerd over zelf-verliefde ijdele eleganz in museaal nostalgische modernitijd van een schoonheidsfetisme in de geisoleerde sculptuur als sanatorium-architectuur waaraan de ernst en noodzaak ontbreekt.

Natuurlijk, die parkeerplaats deed decennia lang druk gefrequenteerd dienst, dank zij de zestien voorgaande prijsvragen. Ditmaal werd het beste ontwerp terecht gerealiseerd.

Foto boven: Als een verblindend juweel verscheen op de Munsterplatz in Ulm een Stadthaus terzijde van enkele gerestaureerde monumenten en veel naoorlogse in schaal en bouwvolume aangepaste ‘vijftigerjaren architectuur’.

Foto rechts: Op een ruimtelijke uitloper van de Munsterplatz verrees een pergola van beton waarin stedelijke niveauverschillen zijn verduidelijkt en benut voor toiletten en daarboven een kiosk en telefoons.

Foto uiterst recht: Licht, brutaal en eigenzinnig vormt het Stadthaus een plastisch wit bouwvolume dat de verfijnde geveldetails van de Munstergotiek mist, maar er een levendige twintigste eeuwse bouwopgave tegenover stelt.

Confrontatie tussen geexposeerde hedendaagse kunst, laat twintigeeuwse bouwkunst en dominerende domtoren aan de Munsterplatz op de bovenverdieping van Meiers Stadthaus.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels