nieuws

Trendy internationalisme contra inlandse bouwkunst

bouwbreed Premium

Vandaag gaat met de officiele opening van het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) de bijna een eeuw durende vraag naar een architectuurmuseum in vervulling. Het is een feestje waard dat we eindelijk een volwaardig architectuurinstituut in gebruik mogen nemen. Maar het hoog doorgeschoten ambitieniveau leidde tot een diep onder het acceptatieniveau belande nieuwbouw in Rotterdam.

In de zomer van 1988 werd de uitslag bekend van een besloten prijsvraag onder zes architecten voor de huisvesting van het Nederlands Architectuurinstituut. Het zou van een realistisch streven naar architectonische kwaliteit hebben getuigd, als toen was beslist een stap terug te doen in de besluitvorming rond de huisvesting van het instituut en daarmee de huisvesting van het feitelijke museum. De ontwerpen bleken van een architectuurniveau waarin geen enkele inzending direct of bij wat nader inzien een architectonische kwaliteit prijsgaf die realisering rechtvaardigde.

Toen had besloten ke worden terug te keren tot de nog beschikbare Beurs van Berlage als perfect monument in de recente bouwkunstgeschiedenis. Maar de politieke keuze voor Rotterdam blokkeerde deze unieke vorm van hergebruik van een Nederlands topmonument dat daarmee voor architectuurtoeristen permanent toegankelijk geworden zou zijn.

Moeizame selectie

De selectie van de zes architecten was moeizaam en weinig geinspireerd. Geen echte jongeren, maar wel Jo Coenen en Rem Koolhaas. Daarnaast Quist als ervaren museumontwerper, Benthem en Crouwel en tenslotte Hubert-Jan Henket als invaller voor Ralph Erskine die alleen een directe opdracht wilde aanvaarden. De Tessiner architect Luigi Snozzi bleef daardoor als enige buitenlandse ontwerper over. Zowel Hertzberger als Van Eyck ontbraken, hetgeen opmerkelijk was gezien hun internationale faam. Eigenlijk even opmerkelijk als indertijd het niet vragen van Berlage voor de meervoudige opdracht van het Rotterdamse stadhuis, waar onlangs een expositie in het NAi aan werd gewijd.

De beperking van een besloten prijsvraag deed zich gevoelen. Hoewel een openbare prijsvraag vaak ter discussie is gesteld voor zo’n specifiek architectuurhistorisch complex, werd ‘onder tijdsdruk’ tot deze uitvlucht besloten. Maar achteraf kon een jaar lang worden gesleuteld aan het ontwerp dat uiteindelijk het ambitieniveau niet haalde en waarop hardhandig is bezuinigd en dat al in de uitwerkingsfase ingrijpend is verbouwd.

De tragedie wil dat Jo Coenen in de jureringsfase door externe deskundigen liet vaststellen dat het gebouw binnen het budget was te realiseren. Daarop ging men door de knieen en werd het overgebleven andere ontwerp van Koolhaas terzijde gelegd. Ambitie en uitvoering van diens Nederlands Danstheater en Kunsthal zouden vermoedelijk geen acceptabeler gebouw hebben opgeleverd.

Het werd voor Jo Coenen een valse start.

Hij toonde zich ‘loyaal aan Adri Duijvesteijn vanwege zijn doorslaggevende positieve bijdrage in de fase van de definitieve keuze’, aldus een persoonlijk getuigenis in een video kort voor de opening. Dat heeft tot ingrijpende vereenvoudigingen geleid die ruimtelijk beeldbepalende onderdelen afbreuk deden.

Een interessant voorbeeld is het tentoonstellingsgebouw. Aanvankelijk een bakstenen bouwvume van een halve kubus met een getrapt trechtervormig daklandschap binnen de baksteenschil. Niet alleen in vogelvlucht maakte dat een interessant citaat van Le Corbusier duidelijk, ook ontstond een hoogst interessante ruimteontwikkeling tussen expositieruimte en toegankelijke buitenterrassen. Duijvesteijn ging er al vroeg prat op, dat hij persoonlijk had ingegrepen. Daartoe was hij wellicht niet geheel ten onrechte geinspireerd door het architectonisch belangrijke interieur van het Duitse architectuurmuseum in Frankfurt, van Oswald Mathias Ungers, dat in de museumpraktijk niet in bruikbaarheid uitblinkt.

Zo ontstond een schoolvoorbeeld van een mislukte architectuurprijsvraag: bekroningen stroken vaak niet met de bedoelingen van de gebruikers en zouden dus niet tot de eindselectie mogen doordringen. Is het op zich opvallend wanneer geselecteerde ontwerpers het programma van eisen naar eigen voorkeur manipuleren, het wordt belachelijk als te dure en praktisch niet bruikbare ontwerpen wel door de jury worden bekroond.

De bezuinigingen deden dat hoge ambitiniveau letterlijk en figuurlijk verbleken.

Buizenpost tussen archief en bibliotheek verdween meteen, maar ook de kelderlaag onder het banaanvormige archiefgebouw werd wegbezuinigd. De ruimte tussen kolommen op circa anderhalve meter boven het maaiveld is niet toegankelijk voor aanleverend vrachtverkeer en geparkeerde autos; dat moet in het nu al volgeparkeerde museumpark worden opgelost. De doorkijkarcade heeft daarmee de twijfelachtige functie gekregen bestemd te zijn voor een feestverlichting van kunstenaar Peter Struycken, die in verlichtingen als kunstwerk prestaties ver beneden zijn verder belangrijke oeuvre leverde.

Het damwandprofiel van metaal voor de langsgevels van het archiefgebouw, de uitvoering van niet voorziene noodtrappen en dergelijke zullen ongetwijveld noodzakelijk zijn geweest, maar ze werden er wel erg makkelijk aangebracht als ging het om een weinig beeldend bedrijfsgebouwtje op een achteraf gelegen industrieterrein.

Dan mag Jo Coenen achteraf niet constateren, ‘dat zijn ontwerp een teken aan de wand bij het jureren zou zijn geweest dat aantoonde dat het budget te klein was’, zoals hij het schijnheilig achteraf in de video noemde. Hij heeft dat met behulp van een kostendeskundige immers in de fase van de jurering -toen met architectenbegroting met succes- weerlegd.

Het eigenlijke expositieblok werd een eenvoudige multifunctionele zaal. Tussen de meer dan manshoge betonbalken van de dakconstructie werden stalen roostervloeren gelegd waarop een hoog percentage van bezoekers zich niet prettig voelt. Toch werd die ‘zolder’ tot aanvullende expositieruimte bevorderd. De daklichten er boven laten te veel daglicht door, zodat er een laken onder werd aangebracht dat bij veelal voor daglicht gevoelige tekeningen de lichtintensiteit vermindert. Zo nodig is verdere afsluiting met een nieuwe laag over de roosters mogelijk, die dan niet meer beloopbaar lijken.

Leidingcoordinatie was ten enenmale taboe bij de realisering van het ontwerp, hetzij budgetair dan wel door gebrek aan praktijkervaring. Overal wordt de bezoeker gehinderd door rijen pijpen van zeer uiteenlopende afmetingen en zichtbare kabels. Het is een teken aan de wand van de armoede die zichtbaar wordt als we te druk bezette ontwerpers ook nog eens opknappen met belangrijke opdrachten. De onderhavige professor is daar overigens slechts een representant van die helaas veel meer voorkomt.

Een citroenprijs verdient de ontwerper van de onzinnige zitplaatsen in het auditorium: na een video van twintig minuten strompelt de gemiddelde bezoeker met rugklachten de hal in omdat de houten rugleuning verkeerd is ontworpen. Toekomstige bezoekers van studiebijeenkomsten en onderhuurders zijn gewaarschuwd… Het auditorium van Boymans of de Kunsthal vormt opeens een verademing.

Architectonische kwaliteit

Het is een verloedering in ons taalgebruik als we deze gebrekkige voortbrengsels van een te hoog ambitiniveau, bij een tekortschietend budget ook nog architectonische kwaliteit toeschrijven. Maar het NAi verkeert nog altijd in de periode van de naweeen als gevolg van een niet gewenst samengaan van drie in de hoofdstad indertijd zeer goed gedijende organisaties. Ze werden gedeporteerd en gelijktijdig tot een gedwongen huwelijk veroordeeld, om ondoorzichtige politieke redenen. Dat is afleesbaar van het Rotterdamse resultaat, meer dan het streven naar architectonische kwaliteit, zoals dat ooit bij een tentoonstellingsopening in Rotterdam door de toenmalige bewindslieden van VROM en WVC werd aangekondigd.

Moge de tentoonstellingen in dit gebouw ons terugvoeren tot de wortels van de specifieke Nederlandse bouwkunst om daaruit moed te putten de ambities, budgetten en programmas van eisen op een lijn te brengen. Als dat soms in de goedkope woningbouw blijkt te lukken, is het tragisch als luchtfietserij bij een museale bestemming tot dit armzalige resultaat leidt. De hier noodzakelijke soberheid is verloren gegaan in een trendy internationalisme waartegen de vooraanstaande Britse redacteur van The Architectural Review waarschuwde in een themanummer bij de NAi-prijsvraag van ‘Architectuur/Bouwen’. Dat heeft niet mogen baten.

Reageer op dit artikel