nieuws

Gemeente ook eigenbouwer?

bouwbreed

In augustus van het vorig jaar besprak ik hier de beslissing van de Hoge Raad, dat de ondernemer niet als ‘eigenbouwer’ kan worden aangemerkt voor werkzaamheden, die betrekking hebben op het vervaardigen, onderhouden of herstellen van zijn bedrijfsmiddelen als dat niet in zijn normale bedrijfsuitoefening pleegt te geschieden. De uitspraak leidde er toe, dat de aan een oliemaatschappij opgelegde naheffingsaanslag voor omzetbelasting op grond van de op de Wet Ketenaansprakelijkheid gebaseerde zogenaamde verleggingsregeling werd vernietigd.

Een dergelijke situatie, waarin de opdrachtgever aansprakelijk wordt gesteld voor de door een (onder)aannemer verschuldigde omzetbelasting, kan zich ook voordoen bij premies die verschuldigd zijn op grond van de sociale-werknemersverzekeringen.

Eein klein jaar geleden gaf de Centrale Raad van Beroep een beslissing over de vraag of de gemeente, die werkzaamheden laat verrichten door het bedrijf, (hoofdelijk) aansprakelijk is als eigenbouwer voor de door dat bedrijf verschuldigde sociale premies.

Ook hier wilde men de Wet Ketenaansprakelijkheid weer gebruiken om de opdrachtgever van die werkzaamheden als eigenbouwer aan te merken en hem zo aansprakelijk te stellen voor de bedragen die het uitvoerende bedrijf niet had betaald.

In dit geval had de gemeentelijke Dienst Openbare Werken een aantal bruggen laten schilderen. Het betrokken schildersbedrijf ging daarna failliet en liet de premies voor de sociale werknemersverzekeringen onbetaald.

De bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid stelde daarom de gemeente aansprakelijk voor de betaling van die premies en wel op grond van de Coordinatiewet Sociale Verzekering. De gemeente was immers een bedrijf in de zin van de wetsbepaling, die met een aannemer gelijkstelt de eigenbouwer, die buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf een werk van stoffelijke aard (in dit geval dus het schilderwerk aan de bruggen) uitvoert zonder dat hij daartoe opdracht heeft gekregen. Dat vond de bedrijfsvereniging tenminste, maar de gemeente was het daar helemaal niet mee eens.

Hij ging dan ook in beroep bij de Raad van Beroep in Groningen. Die vernietigde inderdaad de beslissing van de Bedrijfsvereniging, maar deze ging van die uitspraak weer in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep wijdde niet minder dan vier zittingen aan de zaak; op 11 maart 1992 kwam dan toch de beslissende uitspraak:in gevallen als deze kan een gemeente niet aangemerkt worden als eigenbouwer, zodat de vernietiging van de beslissing van de Bedrijfsvereniging door de Raad van Beroep gehandhaafd werd.

Interessant is natuurlijk de vraag waarom een gemeente, die door een schildersbedrijf zijn bruggen laat schilderen, niet als eigenbouwer kan worden aangemerkt.

In het in augustus 1992 hier besproken geval was beslist, dat het niet voldoende is voor het zijn van eigenbouwer dat de ondernemer werkzaamheden (laat) verrichten voor het herstellen of onderhouden van zijn bedrijfsmiddelen als die werkzaamheden niet regelmatig in de normale bedrijfsuitoefening plaats vinden. Hier kwam nog een extra element aan de orde, namelijk de vraag of een gemeente, die voor het publiek toegankelijke bruggen laat schilderen, geacht wordt een bedrijf uit te oefenen.

Zowel de Raad van Beroep als de Centrale Raad zeiden daarvan dat de overheid die dat soort werkzaamheden laat verrichten, dat doet op grond van de op haar krachtens de wet (in dit geval was dat de Gemeentewet) rustende zorg plicht voor voorzieningen, die bestemd zijn voor -wat de wet noemt- ‘de gemeenen dienst’, zeg maar voor alle burgers. Zij treedt dan niet als ondernemer op.

In zulke gevallen, waarin rijk, provincies, gemeenten en waterschappen werkzaamheden laten uitvoeren die direct uit de weg voortvloeien of uit een speciale publiekrechtelijke opdracht, is er dus geen sprake van een normale uitoefening van het bedrijf van dat overheidsorgaan, dat dus niet als eigenbouwer kan worden aangemerkt.

Ook als tegenover de werkzaamheden geen contraprestatie (meestal een aanneemsom) staat, gaat het principe van de Wet Ketenaansprakelijkheid niet op.

De bedoelingen van de rijkswetgever om via die wet in meer gevallen loon- en omzetbelasing alsmede premies voor de sociale verzekering te ke incasseren, worden dus niet altijd gerealiseerd. Als de ramingen van de inkomsten van de overheid bij het opstellen van de rijksbegroting ervan uitgingen dat dat zulks wel het geval zou zijn betekent dat dus weer een nieuw tegenvallertje voor de heer Kok. Maar die zal onder hand wel weten dat zijn beboelingen en die van zijn maatje van Amelsvoort niet altijd gehonoreerd worden door de van hen onafhankelijke rechter.

(BR 1992 p. 709)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels