nieuws

HZC voorzitter H. Verheijen: solidariteit komt in gedrang

bouwbreed Premium

“Het beleid is uitgestippeld. De zaken staan op de rails. Mijn opvolger zal het in elk geval wat gemakkelijker krijgen dan ik het, vooral in de beginperiode, heb gehad. Maar, van rustig-aan-doen is geen sprake. Integendeel. Er is nog veel werk aan de winkel, erg veel werk.”

Na een leven waarin hij al zijn energie heeft gestoken in het helpen opbouwen van een daadkrachtige organisatie, is het moment waarop hij van zijn pensioen mag gaan genieten, bijna daar. H.Th. Verheijen, voorzitter van Het Zwarte Corps (HZC), de vakvereniging van het bedienend personeel van bouwmaterieel, neemt op 5 juni afscheid en blikt nu even terug. Dat wil niet zeggen dat Verheijen geen mening heeft over de taken die ‘zijn’ Zwarte Corps nog te wachten staan. “Het worden boeiende tijden.”

“Omdat we van meet af aan een vakvereniging wilden zijn die meer doet dan opkomen voor de machinist, is het streven van Het Zwarte Corps er altijd op gericht geweest overal inspraak te verkrijgen” , schetst Verheijen. “Onze stem moest doorklinken bij partijen die direct in onze omgeving werken, zoals de aannemers, scholen en bouwmachinefabrikanten, maar eveneens bij maatschappelijke organisaties.

Ook op dat niveau willen we verantwoordelijkheid dragen en ik ben blij te ke zeggen dat dat ons is gelukt. We zijn vertegenwoordigd in bijvoorbeeld de Sociaal Economische Raad en de Sociale Verzekeringsraad en hebben ingangen gecreeerd om mee te werken aan een verbetering van het maatschappelijk bestel. Dat is niet niets. We zijn uitgegroeid tot een professionele vakvereniging.”

‘Zware jongens

Natuurlijk is deze ontwikkeling niet zonder slag of stoot gegaan. “Er is heel wat voor nodig om een club als de onze zo ver te krijgen” , vertelt Verheijen. “En dan praat ik niet alleen over de contacten die moeten worden gelegd op al lerlei niveaus en met een veelheid aan mensen, maar ook over het opbouwen van een gestructureerde organisatie. Het kost tijd, moeite en inspanning om iedereen op eenzelfde lijn te krijgen en de flexibiliteit op te brengen mee te groeien met de ontwikkelingen. Grotere verantwoordelijkheden vragen nu eenmaal om een nog sterkere organisatie. Wat dat betreft ben ik ook heel blij dat we onze organisatie hebben ke versterken met een paar ‘zware jongens. Mijn plaats zal worden opgevuld door de heer Luit Middendorp, een man afkomstig uit de weg- en waterbouw. Hij heeft verschillende functies vervuld, onder andere als docent in het Middelbaar Beroepsonderwijs en, voordat hij bij ons kwam, opleidings- en managementadviseur bij Telecom Nederland. Daarnaast is een jurist aangetrokken:de heer G. Sjoer. Mensen die

k zij hun opleiding en achtergrond een zekere professionaliteit meebrengen, maar ook mensen die, omdat we ze geruime tijd binnen de vakvereniging hebben laten meelopen, weten wat onze leden bezielt. Deze kwaliteiten zijn nodig om oplossingen te ke aandragen voor de problemen waar we in Nederland voor staan.”

Solidariteit

Want problemen zijn er. “De grootste opdracht waarvoor onze vakvereniging, evenals alle andere maatschappelijke organisaties, staat, heeft alles te maken met het onbetaalbaar worden van ons sociale bestel.

De solidariteit tussen de mensen staat op het spel en dat is een gevaarlijke situatie’, meent Verheijen. “Wat wij willen is die solidariteit veilig stellen door ons te verzetten tegen bijvoorbeeld een regeling als het inkomensafhankelijk maken van de aow, maar ook door mogelijkheden te zoeken om het beruchte wao-gat zo te dichten dat we ook diegenen die niet georganiseerd zijn, verzekeringstechnisch iets ke bieden. Kortom:de onrechtvaardige ongelijkheid die door deze regelingen dreigt te ontstaan, moet bestreden worden. Dat betekent dat je in conclaaf gaat met de ‘tegenpartij’, maar ook dat je zelf de hand in eigen boezem steekt door ideeen te ontwikkelen die een andere aanpak mogelijk maken.

Immers, het gaat niet aan om aan de onderhandelingstafel aan te schuiven met alleen eisen. Iedereen die verantwoordelijkheid wil dragen, moet ook doordrongen zijn van zijn plichten.”

Vraagtekens

En hiermee is Verheijen bij een ander punt van aandacht beland. “We moeten vraagtekens zetten bij onze verworven rechten” , meent hij. “Het begrip ‘passende arbeid bijvoorbeeld, zou correct moeten worden toegepast in die zin dat men zich flexibel opstelt wanneer werk wordt aangeboden ook al is dat niet precies wat men zich wenst of wat men gewend was.”

“Een ander voorbeeld in deze context betreft het maken van overuren. Natuurlijk is het prettig wanneer men extra geld kan beuren door langere dagen te maken. Echter, men vergeet wellicht dat deze instelling van weinig sociaal besef getuigt en bovendien nog gevaar oplevert omdat een vermoeide machinist eerder fouten zal maken dan een uitgerust persoon.”

“Kortom:we moeten ook aan onze eigen mensen een verhaal vertellen dat in eerste instantie wellicht niet prettig overkomt.

Als vakvereniging zullen we ons evenwel inspannen om de ‘pijn’ die zij hierdoor lijden, zeer relatief te laten zijn. Zo willen wij ons hard maken om het verschil tussen het bruto- en nettosalaris terug te dringen. Daarnaast is het onze doelstelling bedrijven kritischer te laten kijken naar de consequenties van het aangaan van collectieve verzekeringen. Nu is het nog zo dat veel misstanden ke worden afgewenteld op die collectiviteit. Daar moeten we vanaf.

Ook het bedrijfsleven moet zijn eigen verantwoordelijkheid dragen. Helaas wordt het echter door het huidige gunningsstelsel, waarbij alleen naar de prijs wordt gekeken, in de weg gezeten. Daarom is onze vakbeweging ook op dit punt actief. Het moet zo zijn dat een werk wordt gegund aan bedrijven die kwalitatief goed en betaalbaar werken. Anders gezegd:de concurrentie tussen bedrijven moet niet draaien om de kosten alleen, maar veel meer om het vakmanschap dat men biedt en de zorg die wordt besteed aan goede arbeidsomstandigheden en veiligheid. En omdat het Zwarte Corps zijn verantwoordelijkheden kent, zal het in de toekomst, net zoals in het verleden, zijn steentje bij blijven dragen aan al deze zaken. Door actieve bemoeienissen met het middelbaar beroepsonderwijs, door zijn deelname in de Club van 25 waar gewerkt wordt aan de 25 punten die de arbeidsomstandigheden van onze leden moet verbeteren en door zijn intensieve contacten met zijn leden, de aannemingsbedrijven en materieelfabrikanten en maatschappelijke organisaties.”

Reageer op dit artikel