nieuws

Staat een ‘makkie voor Alkmaar

bouwbreed Premium

Je zou toch mogen verwachten, dat er op onze ministeries juristen zitten, die in redelijke mate ke beoordelen of de staat een reele kans heeft een civiele procedure te winnen als de uitkomst van een aannemingsovereenkomst wat ongelukkig voor hem uitvalt. Zeker zou dat het geval mogen zijn als over de wezenlijke punten van zijn eis om die door hem gesloten overeenkomst te ontbinden dan wel nietig te verklaren, gecompleteerd met een vordering tot schadevergoeding, zo veel literatuur en jurisprudentie bestaat, dat ook een beginnend jurist al gauw kan zien dat zon procedure volstrekt kansloos is.

Wat was het geval? In 1984 sloot een van onze ministeries met Alkmaar een overeenkomst op grond waarvan de gemeente, eigenaar van een demontabel kantoorgebouw, dat zou demonteren en in Den Helder weer in elkaar zou zetten.

Die overeenkomst werd niet vastgelegd in een contract, maar in een briefwisseling tussen de beide overheden. Daarin werd ook afgesproken, dat het feitelijke werk zou worden verricht door een aannemingsbedrijf en dat het toezicht op een en ander door een opzichter van de Rijksgebouwendienst zou plaatsvinden.

Op 24 mei was alles gereed; van de oplevering werd een keurig procesverbaal opgemaakt en namens de beide partijen ondertekend.

Tweeenhalf jaar waren er geen problemen, maar toen raakte in de winderigste stad van ons land de noordwest gevel van het gebouw los van het casco.

Toch duurde het nog maanden voordat het ministerie aan Alkmaar schreef dat het gebouw niet langer bewoonbaar was en dat de schade voor rekening van de gemeente kwam.

De oorzaak van het losraken van de gevel bleek te liggen in het ontbreken van een aantal windverbanden, waardoor het gebouw onvoldoende stijfheid bezat. Omdat dit gevaar voor instorting met zich bracht was aan de eis van artikel 1645 B.W. voldaan, vond de staat:er waren sinds de oplevering nog geen tien jaar verstreken, dus het bewijs dat de oorzaak van het geheel of gedeeltelijk vergaan niet bij de gemeente lag, diende Alkmaar te leveren.

Maar voor de toepasselijkheid van dat artikel geldt no`g een vereiste, dat weliswaar niet te vinden is in de tekst van dat artikel, maar waarover de rechtsliteratuur en de rechtspraak geen twijfel laten bestaan:het artikel geldt alleen voor verborgen gebreken. Dat ligt ook voor de hand, want de functie van de goedkeuring van een werk bij de oplevering is immers, dat de gebreken, die de opdrachtgever redelijkerwijze kan ontdekken, door die goedkeuring worden gedekt.

Het zou dan dwaas zijn als de opdrachtgever, die eerst de gebreken heeft geaccepteerd, daarna nog een vorderingsrecht zou hebben om voor die gebreken schadevergoeding te krijgen.

Alkmaar had helemaal geen problemen om bij de toepasselijkheid van artikel 1645 BW aan te tonen, dat de oorzaak van het (gedeeltelijk) vergaan van het gebouw niet bij hem lag, maar bij de staat zelf. De gemeente wees de rechtbank in zijn eigen gemeente er op, dat de staat het gebouw door de aannemer anders in elkaar had laten zetten. Om op de eerste verdieping een vergaderzaal te ke krijgen, liet het betrokken ministerie door de aannemer twee wanden verwijderen. En juist daarin zaten oorspronkelijk een aantal windverbanden, die dus niet werden herplaatst.

De rechtbank erkende weliswaar, dat hier sprake was van een gevaar voor instorting of ernstige schade, zoals bedoeld in artikel 1645 BW, maar moest tevens constateren, dat drie langswindverbanden bij het herplaatsen waren weggelaten en dat het nu juist deze drie waren, die de noordwest gevel moesten verankeren. Dat betekende dus dat de staat een wijziging had laten aanbrengen aan delen van het gebouw, die elementen bevatten essentieel voor de constructieve stevigheid ervan. De staat had dat op eigen houtje geregeld met de aannemer, nota bene tegen de afspraak in dat het contact met de aannemer zou lopen via de dienst openbare werken van Alkmaar.

Op zijn zachtst gezegd lijkt het niet bepaald redelijk in zon geval de gemeente aansprakelijk te willen houden voor de gevolgen van die veranderingen.

Dat alleen al was voldoende voor de afwijzing van de eis.

Maar de Alkmaarse rechtbank voegde er ten overvloede nog aan toe, dat het op de weg van de staat had gelegen om bij de montage van essentiele onderdelen -zoals windverbanden zijn- na te gaan of die werkzaamheden goed werden uitgevoerd. Afgesproken was immers, dat een ambtenaar van de staat toezicht zou houden op demontage en montage van het gebouw. Zon tekortschieten bij het houden van toezicht kon de staat toch bezwaarlijk voor de rekening van de gemeente brengen zo overwoog de rechtbank.

Als derde argument voor de afwijzing kwam dan nog het niet-toepasselijk zijn van het artikel waarop de staat zich beriep.

Artikel 1645 (dat in het Nieuw BW tijdelijk is gehandhaafd in de titel 7A) is in beginsel slechts toepasselijk in het geval van verborgen gebreken.

Nu de staat het gebouw bij de oplevering goedkeurde en bij een goed uitgevoerde controle het ontbreken van een aantal windverbanden had ke ontdekken, kon hij geen beroep meer doen op dat artikel.

Sterker nog, zou je als leek zeggen, het was geen kwestie meer van ke ontdekken, want je had dat gebrek zelf zo gewild!

(BR 1993 p.232)

Reageer op dit artikel