nieuws

Groei sterker in Oost en Zuid

bouwbreed Premium

In Zuid- en Oost-Nederland is de economische ontwikkeling in de afgelopen jaren positiever geweest dan in de rest van het land. Gemiddeld over 1987-1991 bedroeg dit verschil nog steeds 1%-punt, net als in de jaren zeventig en tachtig. Het beleid van de grote steden is kennelijk niet gericht op een betere groeiprestatie.

De groei van het Bruto Regionaal Produkt bedroeg gemiddeld over de jaren 19871991 in Nederland (in lopende prijzen) 5,4% per jaar. In het Noorden was dat slechts 4,9%, in het Westen net 5%. Het Oosten en Zuiden kwamen boven 6% uit.

Per provincie zijn de verschillen uiteraard nog groter. Groningen was over deze jaren hekkesluiter met een gemiddelde groei van 4,4%, Flevoland haalde -mede dank zij de voorspoedige ontwikkeling van de woningbouw voor de groeiende bevolking- maar liefst 9,3%.

Het CBS heeft cijfers beschikbaar over ieder van de 43 Corop-gebieden

reffende de gemiddelde groei over deze jaren, het BRP per hoofd van de bevolking en het aandeel in het BRP van ieder van de economische sectoren, landbouw, nijverheid en diensten. Vooral bedrijven die binnen een beperkte regio werken, ke met deze cijfers waarschijnlijk beter uit de voeten, dan met nationale totalen. In dit overzicht beperken wij ons niettemin tot een beknopt overzicht per landsdeel en provincie, met hier en daar een uitstapje naar de grote steden.

Overijssel, Gelderland, Utrecht en de drie Zuidelijke provincies haalden een gemiddelde groei van meer dan het landelijk gemiddelde. Drenthe kwam precies op deze 5,4 %, maar 0,4% daarvan was te danken aan olie- en gaswinning. Zuid-Holland deed het weliswaar weer beter dan NoordHolland, maar bleef met 4,8% groei toch ruim een half procent onder het gemiddelde. Het Westen lijkt niet meer het economische trekpaard voor de economie dat het ooit was. Het CBS wijst ter verklaring onder andere op de congestie en op de ‘afslankende overheid’.

Aangezien deze afslanking nog nauwelijks enige omvang heeft bereikt, kan dat weinig toevoegen aan de verklaring van de teleurstellende ontwikkeling. Er wordt tactvol vermeden te wijzen op het soms wat eigenzinnige beleid dat in de grote steden wordt gevoerd. Daar staat tegenover, dat ook niet wordt gewezen op de hogere lasten die deze steden dragen, als gevolg van hun hoge aandeel in de immigrantenstroom. Zolang deze nieuwe inwoners nog niet zijn opgenomen in het economisch proces, zullen zij de economische groei niet bevorderen. Tegenover groeicijfers van 3,6% voor Den Haag en Amsterdam deed Rijnmond het met 5% overigens beduidend beter.

Structuurbeleid

Voor het Noorden is de uitkomst vooral politiek interessant. Voor dit landsdeel werd onlangs een evaluatierapport uitgebracht over het Integraal Structuurplan Noorden des Lands (ISP-IV), waaruit blijkt dat dit landsdeel qua economische ontwikkeling nog steeds niet in de pas loopt met de rest van Nederland. Voortzetting van het in dit plan neergelegde beleid zou gewenst zijn (vgl Cobouw 7-5 ’93). Nu wordt er al een beleid ter verbetering van de economische structuur van het Noorden gevoerd sinds de jaren vijftig.

Als dergelijk beleid na meer dan veertig jaar nog niet blijkt helpen, waarom zou men dan doorgaan met miljoenen guldens te pompen in kennelijk niet effectieve poen? Deze uitkomst lijkt er weer eens op te wijzen, dat het uitgavenbeleid van de rijksoverheid minder is gericht op de effectiviteit ervan, dan op het aspect van ‘zoethouden’ dat ermee samengaat.

BRP per hoofd

Behalve de groei is ook de hoogte en de onderlinge verhouding van de toegevoegde waarde per regio interessant. Hoewel Amsterdam een teleurstellende groei blijft vertonen, was het BRP per hoofd van de bevolking in 1991 nog altijd 23% hoger dan het landelijk gemiddelde (in Den Haag was dat +7%, Rijnmond zelfs +27%). Dit wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt doordat een deel van deze toegevoegde waarde wordt geproduceerd door mensen die niet in deze steden wonen. Steden worden duidelijk beter van forensen, dat wordt (vooral door deze steden) wel eens vergeten. Dit forensisme zal overigens ook het lage BRP per hoofd in Flevo verklaren.

Of de beperkingen op het autoverkeer van de laatste jaren ook mede ten grondslag liggen aan de daling van het BRP per hoofd in deze steden, staat overigens niet vast. Deze daling was vooral in Amsterdam en Den Haag niet gering. In 1987 waren bovenstaande cijfers resp. 32%, 13% en 28%. De teruggang in Den Haag, van 13% naar 7%, bedroeg daarmee bijna de helft van het vroegere overwicht in BRP per hoofd. Rotterdam kon zijn positie vrijwel handhaven.

In vijf provincies blijkt het BRP per hoofd relatief toe te nemen: Friesland, Overijssel, Gelderland en de drie Zuidelijke provincies. In Drenthe en Flevoland blijft het constant, in de overige provincies daalt het.

Zeeland is de enige provincie waar het BRP per hoofd ook in 1987 al hoger was dan het Nederlands gemiddelde (+4%) en bovendien nog stijgt. In 1991 was het verschil al toegenomen tot +11%.

Produktie-structuur

De produktie-structuur wordt getypeerd door het aandeel in het BRP van de agrarische sector, de nijverheid en de dienstensector. Gemiddeld hadden deze in Nederland in 1991 een aandeel van resp. ruim 4%, bijna 32% en 64%. Per regio zijn de verschillen nogal omvangrijk. De provincie met het hoogste agrarische aandeel was niet, zoals men misschien zou verwachten, Friesland, maar met 15% Flevoland. Op lager dan provincie-niveau won overigens het Corop-gebied Delft/Westland, waar dit aandeel in 1991 bijna 30% bedroeg.

Het aandeel in het BRP van de nijverheid, dat in 1991 voor Nederland 31,5% bedroeg, was vooral hoog in het Noorden (45%) en het Zuiden (37%). Hier valt vooral Zeeland op met 47%. Groningen staat bovenaan, met een aandeel van 56% , waaraan de olie- en gaswinning niet vreemd zal zijn.

Voor de economische groei zou vooral de dienstensector belangrijk zijn. Ook hier zijn de verschillen groot. Tegenover een gemiddelde van 64% komen vooral Flevo, Gelderland en de randstadprovincies vrij hoog uit de bus. Utrecht en Noord-Holland komen zelfs boven 73%. Uit de cijfers blijkt overigens geen duidelijk verband met de gemiddelde groei, noch met de hoogte van het BRP per hoofd of de ontwikkeling daarvan. Gemiddeld had Utrecht weliswaar nog een riante groei van 6,3% van het BRP, over de jaren sinds 1988 vindt hierin echter een geleidelijke daling plaats. Voor 1987 bedroeg dit cijfer 5,9%, de volgende jaren was het resp. 8,5, 7,4 en 3,4%. Het hiervoor genoemde agrarische Delft/Westland (gemiddeld 5,8%) liet voor deze jaren resp.

3,7, 2,7, 9,2 en 7,5% afdrukken. Het lijkt er op, dat het verband tussen de produktie-structuur en de regionale economische ontwikkeling lang niet zo rechtlijnig is als men ons wel eens wil doen geloven.

.

tabel

Bruto regionaal produkt (BRP) tegen marktprijzen en aandeel per sector

. groei gem.

. per jaar BRP per hoofd aandeel in BRP in 1991 van

. 1987/’91 1987 1991 agr sector nijverheid diensten

Nederland 5.4 100 100 4.4 31.5 64.1

.

Noord 4.9 100 100 5.8 45.3 49.0

Oost 6.2 84 86 5.4 29.9 64.7

West 5.0 107 105 3.6 26.9 69.5

Zuid 6.1 93 96 4.4 36.7 58.9

.

Groningen 4.4 136 135 3.1 56.1 40.8

Friesland 5.3 77 79 9.1 33.3 57.6

Drenthe 5.4 85 85 6.7 39.0 54.3

Overijssel 5.9 85 88 5.0 35.2 59.8

Flevoland 9.3 74 74 15.0 17.9 67.0

Gelderland 6.0 84 86 4.6 28.2 67.2

Utrecht 6.3 101 100 2.0 20.8 77.3

N-Holland 4.6 108 104 2.5 24.1 73.4

Z-Holland 4.8 123 121 4.8 28.4 66.8

Zeeland 6.6 104 111 5.1 46.7 48.2

N-Brabant 6.1 95 98 4.4 36.4 59.3

Limburg 6.1 89 93 4.5 37.5 58.0

Bron:CBS

Reageer op dit artikel