nieuws

Gericht beleid om vrouw in bouw te krijgen noodzaak

bouwbreed Premium

Het po Vrouwen in de bouw gaat in 1993 de regio in. Na drie jaar van onderzoek en demonstratiepoen moet er nu een gericht vrouwenbeleid in de bouw komen met een zo breed mogelijk draagvlak. Hiertoe gaat het po zich uitbreiden naar de bedrijven in de regio. Speciale poen worden geinitieerd. Voorts zullen de knelpunten voor vrouwen die in de inmiddels opgedane ervaringen naar boven kwamen worden aangepakt.

Het po Vrouwen in de bouw werd in 1989 door sociale partners in de bouw en de overheid opgericht. De reden hiervoor was tweeledig. Enerzijds was er het te verwachten tekort aan vakbekwaam personeel terwijl anderzijds steeds meer vrouwen blijk gaven van hun belangstelling voor technische beroepen. Logisch dus dat ook de bouwnijverheid haar aandacht ging richten op de mogelijkheid tot het in dienst nemen van meisjes en vrouwen. Er werd een projectleider aangesteld en het O&Ofonds, het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA) en het ministerie van Sociale Zaken stelden middelen beschikbaar.

Na een periode van onderzoek werden er eerst enkele demonstratiepoen opgezet. Een aantal bedrijven was bereid hieraan mee te werken. Op grond van de demonstratiepoen die moesten aantonen dat vrouwen heel goed inzetbaar zijn in verschillende bouwberoepen wordt momenteel een evaluatie opgesteld.

Niet vrouwvriendelijk

Volgens poleider Ria Kleyzen komt hierin naar voren dat de belemmeringen voor vrouwen in het bouwbedrijf nog steeds structureel zijn. De bouw lijkt nog verre van drempelloos voor vrouwen die erin willen werken. Een belangrijk knelpunt doet zich reeds voor in de opleiding. Uit de ervarin gen van de afgelopen jaren blijkt bijvoorbeeld dat de infrastructuur ervan nog niet bepaald vrouwvriendelijk is. Zo hanteren de samenwerkingsverbanden waar de praktijkopleiding plaatsvindt veelal een leeftijdsgrens van circa 20 jaar. Vrouwen blijken echter op een gemiddeld oudere leeftijd voor een baan in de bouw te kiezen. Een en ander heeft te maken met het feit dat de bouw voor veel vrouwen nog een ‘tweede keuze-beroep’ is.

Vaak hebben ze vooraf een andere opleiding gevolgd en zijn om uiteenlopende redenen van beroepskeuze geswitched. Het gevolg is echter dat veel vrouwen niet op het samenwerkingsverband worden toegelaten. Een goede opleiding is echter, zeker voor vrouwen, belangrijk. Het is, aldus Kleyzen, dan ook van cruciaal belang dat er voorschakeltrajecten voor vrouwen worden opgezet. De vooropleiding van vrouwen is immers zelden lts, maar eerder mavo of een geheel andere opleiding. Het ontbreekt vrouwen daarom meestal aan de technische kennis die nodig is om de primaire opleiding in te stromen.

Het opzetten van een voorschakelvoorziening voor meisjes en vrouwen zit er echter voorlopig niet in. Het Centraal Bestuur Arbeidsvoorziening (CBA) stelt volgend jaar weliswaar geld beschikbaar voor 400 voorschakelplaatsen in de bouw; er is, zo constateert Kleyzen, echter niet aan vrouwen gedacht. De voorschakelplaatsen zijn bestemd voor werkloze schoolverlaters boven de 21 jaar. En zoals gezegd, de meeste vrouwen zijn ouder als ze voor een baan in de bouw kiezen.

Een positieve conclusie uit de ervaringen van de afgelopen drie jaar is dat er zowel bij de bedrijven als bij de vrouwen voldoende animo is. Het ontbreekt tot nog toe echter aan gericht beleid. Kleyzen: “Het is natuurlijk gemakkelijk om te zeggen dat er meer vrouwen in de bouw moeten instromen. Je zult echter ook randvoorwaarden moet scheppen om dit mogelijk te maken. Hiertoe is een gericht beleid nodig en gelukkig zijn partijen in de bouw zich steeds meer bewust van de waarde van doelgroepenbeleid, ook voor allochtonen.”

Vandaar dat Vrouwen in de bouw in 1993 de regio ingaat.

Op twee plaatsen worden in totaal 40 vrouwen via samenwerkingsverbanden en Centra voor Vakopleiding begeleid naar een baan in de bouw. De begeleiding komt in handen van nog aan te stellen pomedewerkers die alle betrokken organisaties in de regio zullen mobiliseren. Eventuele knelpunten worden, zo is de bedoeling, onmiddellijk doorgegeven aan de landelijke poleider, die vervolgens op beleidsniveau actie kan ondernemen.

De reden dat vrouwen meer begeleiding nodig hebben heeft volgens Kleyzen grotendeels te maken met de te geringe betrokkenheid van de bedrijven. “Het is geen onwil maar veel ondernemers begrijpen niet dat doelgroepen extra aandacht nodig hebben. De gedachte heerst dat iedereen op dezelfde manier behandeld moet worden. Op grond hiervan blijft het een probleem om ondernemers duidelijk te maken dat veel vrouwen bijvoorbeeld liever in deeltijd werken vanwege hun dubbele belasting. Het is in feite een gebrek aan ervaring. Door de bedrijven in de regio die ervaring onder begeleiding op te laten doen moet de integratie van vrouwen op gang komen” .

Reageer op dit artikel