blog

Gebouwgebonden financiering

bouwbreed 615

Gebouwgebonden financiering

Het Kabinet Rutte III wil nieuwe woningen vanaf 2021 niet langer met aardgas verwarmen. Een warmterecht moet de aansluitplicht op gas vervangen. Verder dienen alle 6 miljoen bestaande woningen in 2050 gasvrij te zijn, of aardgasloos of gasloos (het Regeerakkoord is niet woordvast).

Deze energietransitie gebouwde omgeving heiligt vele middelen. Het Regeerakkoord noemt alvast het verhogen van de 1e schijf energiebelasting gas, het beperken van de belastingvermindering energiebelasting en het in 2020 ‘moderniseren’ van de salderingsregeling. Er zullen echter baanbrekende innovaties nodig zijn om vooral de particuliere woningeigenaar grootschalig geïnteresseerd te krijgen in ingrijpende maatregelen om diens energieverbruik te verminderen of te veranderen.

Het Regeerakkoord bevat daartoe een voor juristen interessante passage over ‘het uitwerken van vormen van gebouwgebonden financiering zodat besparingsopties aantrekkelijker worden’. Een lening voor verduurzaming moet gekoppeld kunnen gaan worden aan de woning zelf. Daardoor worden langer lopende investeringen aantrekkelijker. Aflossing en rente kunnen worden voldaan uit bespaarde energiekosten.

Het Regeerakkoord sluit niet uit dat het Burgerlijk Wetboek moet worden aangepast om dit mogelijk te maken. Verwezen wordt naar bepalingen rond de wettelijke bescherming van de consument bij financiering, maar ik denk eerder aan het mogelijk maken van de gebouwgebonden, dus kwalitatieve aflosverplichting. Op dit moment geldt juridisch dat alleen (natuurlijke) personen aan contracten zijn te binden en dat daarvoor het hebben van een bepaalde hoedanigheid onvoldoende is. Slechts de wet(-gever) kan anders bepalen. Zo is de appartementseigenaar wel ”van rechtswege” lid van de Vereniging van Eigenaars maar de eigenaar van een doorzonwoning niet om die reden alleen gebonden aan de buurtvereniging.

Weliswaar kent artikel 6:252 BW de kwalitatieve verplichting maar die moet dan wel strekken tot iets te dulden of niet te doen. De door het Kabinet beoogde vorm van gebouwgebonden financiering (een ‘doen’) voldoet niet aan die eis. En ook een erfdienstbaarheid lijkt niet in aanmerking te kunnen komen. Een kettingbeding is denkbaar maar tegelijk kwetsbaar voor breuk. Kortom: wordt een volledig gebouwgebonden en niet te verbreken aflosplicht gewenst, dan vergt dat pas echt juridische innovatie en is wijziging van de wet nodig.



Mr Ewald L.J. van Hal, directeur vereniging Koninklijke Nederlandse Bouwkeramiek, namens NVTB

 

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels