blog

Uitspraak over retentierecht versterkt positie schuldeisers

bouwbreed Premium 477

Uitspraak over retentierecht versterkt positie schuldeisers

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft eind maart een belangrijk arrest gewezen over het retentierecht. De mogelijkheid tot effectieve toepassing ervan wordt veel  ruimer. Ook bij niet opeisbare vorderingen staat de schuldeiser voortaan sterk. 

Op grond van het retentierecht heeft een aannemer de bevoegdheid het werk niet aan de opdrachtgever ter beschikking te stellen zolang hij niet betaald is. Het retentierecht kan in bepaalde gevallen zelfs worden ingeroepen tegen derden die een recht op de zaak hebben, zoals bijvoorbeeld een hypotheekhouder.

Voorwaarden

Tot nu toe werd ervan uitgegaan dat een retentierecht kan worden uitgeoefend wanneer aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan: een opeisbare vordering op de schuldenaar,  feitelijke macht over de zaak en voldoende samenhang tussen de vordering en de verplichting tot afgifte van de zaak.

In de praktijk werd met betrekking tot het eerste vereiste (de vordering) algemeen aangenomen dat die vordering opeisbaar moet zijn. In de praktijk betekent dit dat er facturen moeten zijn waarvan de betalingstermijn is verstreken.

Hof

Het Hof stelt zich echter op het standpunt dat het vereiste van opeisbaarheid niet geldt en verwijst daarbij naar de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van het relevante artikel (artikel 3:291 BW) waarin staat: “dat één van de vereisten voor het ontstaan van het retentierecht is: het ontstaan van een vordering. Vaak zal de vordering voortvloeien uit een overeenkomst. Men lette erop dat zij in dat geval in beginsel ontstaat op het moment van het sluiten van die overeenkomst.”

Aanzienlijke verruiming

Dat het vereiste van opeisbaarheid niet meer geldt, betekent een aanzienlijke verruiming van het aantal gevallen waarin het retentierecht kan worden ingeroepen. De aannemer hoeft namelijk niet meer te wachten totdat de betalingstermijn is verstreken maar kan die bevoegdheid op praktisch ieder moment gedurende de uitvoering uitoefenen.

Hypotheekrecht

In de zaak waarover het Hof heeft geoordeeld, was er na het sluiten van de aannemingsovereenkomst en ingebruikname van het bouwterrein door de aannemer ten behoeve van een andere partij een hypotheekrecht op de onroerende zaak gevestigd. Die andere partij was trouwens ook een aannemer die zekerheid van dezelfde opdrachtgever wenste voor betaling van zijn facturen voor een ander werk; die zekerheid kreeg hij dus in de vorm van een hypotheekrecht.

Onderscheid

Voor het antwoord op de vraag wie dan voor gaat (de ene aannemer met zijn retentierecht of de andere aannemer met zijn hypotheekrecht) maakt de wet onderscheid in rechten die jonger en rechten die ouder zijn dan het retentierecht. Het Hof heeft  het ontstaan van het retentierecht gekoppeld aan het moment van het sluiten van de overeenkomst, en niet aan het moment dat facturen opeisbaar werden. De aannemer met het hypotheekrecht had het nakijken.

Volkomen terecht

Dit is mijns inziens ook volkomen terecht. Stel dat een opdrachtgever tijdens het werk tal van forse meerwerkopdrachten verstrekt. Er is geen discussie over het feit dát het meer werk is, en ook niet over de prijs ervan. Niets aan het handje dus. Maar: in afwijking van par. 35 lid 3 UAV 2012 vermeldt het bestek dat het meerwerk (pas) afgerekend wordt aan het eind van het werk. Een helaas veel voorkomende afwijking.

Financiële problemen

Vóór het eind van het werk komt de opdrachtgever in financiële problemen; de aannemer beroept zich op het retentierecht. Volgens de praktijk tot nu toe kon hij dat niet voor het wel verrichte, maar nog niet gefactureerde werk. Volgens het arrest van het Hof kan dat vanaf nu dus wel. Terecht, want er is geen goede reden om het uitoefenen van het retentierecht afhankelijk te laten zijn van het feit of een factuur is verzonden voor werk dat wel degelijk is verricht. De wetgever heeft immers de bedoeling gehad de partij die heeft bijgedragen aan het vergroten van de waarde van het goed waarop het retentierecht rust, een sterke positie te geven.

Meer armslag

Met het arrest wijkt het Hof af van de bestaande lijn in literatuur en rechtspraak. Voor partijen die het retentierecht willen uitoefenen is dit een belangrijke (en welkome!) uitspraak. In veel procedures bij de gewone rechter en de Raad van Arbitrage voor de bouw wordt de aannemer die het retentierecht uitoefent afgeserveerd omdat hij geen opeisbare vordering zou hebben. Volgens deze uitspraak is dat onjuist, en dat geeft de schuldeiser veel meer armslag.

Cassatie

Ik verwacht dat cassatie bij de Hoge Raad zal worden ingesteld. Het is te hopen dat de Hoge Raad het arrest van het Hof in stand laat. Tot de Hoge Raad gesproken heeft, kunnen partijen in elk geval bij de lagere rechters en arbiters hun voordeel met dit arrest doen.

Peter Breukelaar, advocaat bij Heijltjes advocaten, Nijmegen

Reageer op dit artikel