artikel

Over aanbod en aanvaarding

bouwbreed 747

Wanneer komt tussen partijen een overeenkomst tot stand? Dit is een vraag die de (juridische) gemoederen vaak bezighoudt en die recent ook aan de orde kwam bij Rechtbank Den Haag (4 augustus 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:8417) bij een geschil over de verbouwing van een showroom van een autodealer.

Over aanbod en aanvaarding

Hoe zit het ook alweer? Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (art. 6:217 BW). Of sprake is van een aanbod enerzijds en aanvaarding daarvan anderzijds, moet worden bepaald aan de hand van de zogeheten wilsvertrouwensleer (art. 3:33 en art. 3:35 BW). Dat wil zeggen dat het afhangt van wat partijen hebben verklaard en wat partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden.

Is in dit geval een overeenkomst tot stand gekomen?

De verbouwing waar partijen een geschil over hebben, bestaat uit een bouwkundig deel en een installatiegedeelte. Aanneemster heeft een aanbieding gedaan om het bouwkundige gedeelte van deze verbouwing uit te voeren onder de in haar offerte genoemde voorwaarden. De autodealer heeft deze offerte niet zonder meer aanvaard, zij wil eerst met aanneemster in onderling overleg het bestek afstemmen.
Aanneemster stelt dat hiermee sprake is van een meer dan ondergeschikte afwijking ten opzichte van de oorspronkelijke aanbieding. De rechtbank gaat hierin mee: er is geen overeenkomst tot stand gekomen, want het bestek maakte geen deel uit van de offerte.
De rechtbank voegt hier nog aan toe dat een aanvaarding die – op een meer dan ondergeschikt punt – van het aanbod afwijkt, op grond van art. 6:225 lid 1 BW geldt als een nieuw aanbod en als een verwerping van het oorspronkelijke aanbod. De wens van de autodealer om tot een opdracht te komen op basis van de eerdere stukken én het bestek, moet dan ook als een nieuw aanbod worden gezien.

Is op basis van dit nieuwe aanbod een aannemingsovereenkomst tot stand gekomen?

De autodealer heeft gesteld dat partijen op 28 augustus 2017 ‘de handen hebben geschud’ en hebben verklaard het bijzonder prettig te vinden als familiebedrijven de samenwerking aan te gaan. Volgens de rechtbank kan daarin wel een duidelijke intentie worden gelezen van partijen om met elkaar verder te gaan en een vertrouwen om tot een overeenkomst te komen, maar hierin heeft autodealer, gelet op de nog openstaande opmerkingen over het bestek, nog geen definitieve overeenkomst mogen lezen. Ook uit de door autodealer genoemde omstandigheden dat aanneemster in de correspondentie al heeft gesproken over ‘de bouwvergadering’ en ‘het alvast starten van de werkvoorbereiding’, kan niet worden afgeleid dat er al een bindende overeenkomst was.
Het is dan ook niet vast komen te staan dat een aannemingsovereenkomst met betrekking tot het bouwkundige deel tot stand is gekomen.

Is dan op een later moment alsnog een overeenkomst tot stand gekomen?

Tussen partijen is niet in geschil dat het autodealer duidelijk was dat aanneemster eraan hechtte dat aanneemster voor het gehele werk een opdracht zou krijgen (dus ook voor het installatiegedeelte), omdat aanneemster met de aanneemsom voor het installatiegedeelte het verlies moest compenseren dat aanneemster op de prijs voor het bouwkundige gedeelte leed. Daarmee moest voor autodealer duidelijk zijn dat het sluiten van een overeenkomst voor een totale opdracht (inclusief installaties) een essentiële voorwaarde voor aanneemster was om tot een aannemingsovereenkomst te komen, en dat aanneemster niet uitsluitend een overeenkomst voor het bouwkundige deel wenste aan te gaan.


Natasja van Wijk-Van Gilst, Wetenschappelijk medewerker Instituut voor Bouwrecht

 

Voor wie meer wil weten over dit onderwerp organiseert het Instituut voor Bouwrecht op 7 november aanstaande een studiemiddag ‘Onderhandelingen en recht’ (www.ibr.nl/agenda)

Reageer op dit artikel