artikel

Liftkartellisten in de picture

bouwbreed 621

In 2002 hield de Tweede Kamer een parlementaire enquête naar bouwfraude. Hieruit bleek dat er sprake was van grootschalige fraude, waarbij door onderlinge prijsafspraken (kartelvorming) vele miljoenen te veel waren betaald aan bouwbedrijven. Dat muisje kreeg nog een staartje in de liftenbranche. Daarover wees de rechtbank Rotterdam op 29 mei 2019 een uitvoerig gemotiveerd tussenvonnis.

Liftkartellisten in de picture
Jur Deckers

Het begint allemaal in Europa. In 2007 heeft de Europese Commissie boetes opgelegd aan diverse liftfabrikanten wegens overtreding van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Deze fabrikanten hebben zich in één of meer Europese landen schuldig gemaakt aan kartelvorming. Ook voor de Nederlandse markt heeft de Commissie boetes opgelegd aan de Kartellisten Kone en Otis.

De Glazen lift

In de Beschikking staat dat het marktaandeel van de Kartellisten in Nederland in 2003 88% was ten aanzien van de verkoop en installatie van liften, 83% voor onderhoud en 97% voor modernisering van liften. In augustus 2008 werd Stichting “De Glazen Lift” (DGL) opgericht om de belangen te behartigen van woningcorporaties, die schade hebben geleden van het kartel. Een flink aantal woningcorporaties hebben zich bij DGL als deelnemers georganiseerd en eind 2008 hun vorderingen op Kone en/of Otis overgedragen aan DGL. Gezamenlijk hebben deze woningcorporaties ongeveer 7.000 liften in gebruik.

Eis van de corporaties

DGL vroeg de rechtbank om te verklaren dat nu Kone en Otis in strijd hebben gehandeld met het Europees Verdrag zij aansprakelijk zijn voor vergoeding van de door de corporaties geleden schade. Ook werd de rechtbank gevraagd voor recht te verklaren dat Kone en Otis elk onrechtmatig hebben gehandeld jegens de corporaties en dat zij elk hoofdelijk aansprakelijk zijn voor vergoeding van het geheel van de door de corporaties geleden schade, wettelijke rente en proceskosten.

Verweer van Kone en Otis

Kone en Otis hebben de vordering met diverse argumenten bestreden. Onder meer werd aangevoerd dat de vordering van DGL verjaard zou zijn. Dat verweer werd vrij snel van tafel geveegd. Voorts werd betoogd dat DGL niet ontvankelijk zou zijn in haar vorderingen, omdat de vorderingen van de corporaties niet rechtsgeldig aan DGL zouden zijn overgedragen. Ook dat verweer mocht niet baten.
Meer inhoudelijk werd aangevoerd dat DGL ten onrechte niet zou hebben onderbouwd dat elke corporatie in de periode dat het kartel actief was van Kone en/of Otis liften heeft afgenomen, en/of toen met één van hen onderhouds- en/of renovatiecontracten heeft gesloten. Gesteld werd dat geen sprake was van een alomvattend kartel dat gericht was op prijsopdrijving. Kone en Otis betwijfelden dat de corporaties zelf schade zouden hebben geleden.

De rechtbank

De rechtbank conformeerde zich aan het oordeel van de Commissie. De belangrijkste manier waarop de Kartellisten de prijzen opwaarts beïnvloedden was door het uitwisselen van prijzen voorafgaand aan of direct ná een formeel bod en door de afspraak dat de anderen de liftfabrikant met het laagste bod niet alsnog – in een tweede ronde – zouden onderbieden. Dit was van belang in de gevallen dat de potentiële opdrachtgever na de eerste biedronde wilde onderhandelen over lagere prijzen. Deze mogelijkheid is de opdrachtgevers ontnomen, hetgeen zeer waarschijnlijk een prijsopdrijvend effect heeft gehad. Dat prijsopdrijvende effect moet ook worden aangenomen voor de overeenkomsten waaraan niet meerdere offertes zijn voorafgegaan.
Omdat de Kartellist, die als enige een offerte mocht uitbrengen, wetenschap had van de door de andere Kartellisten gehanteerde prijzen, is zeer waarschijnlijk dat de inbreukmakende werkwijze heeft doorgewerkt bij deze overeenkomsten.

Hogere prijzen

Daarmee is voldoende aannemelijk dat de inbreuk heeft geleid tot schade bij opdrachtgevers, omdat deze hogere prijzen hebben betaald dan zonder de inbreuk het geval zou zijn geweest. De slotsom was dat Kone en Otis hoofdelijk aansprakelijk zijn om de nog nader vast te stellen schade aan de corporaties te vergoeden, ieder over de periode dat zij hebben deelgenomen aan het liftenkartel. Die schade moet overigens nog wel nader worden aangetoond, maar over de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt in dit vonnis duidelijkheid gegeven.
Laten wij hopen dat de bouw hieruit wederom de nodige lessen leert.


Jur Deckers, Advocaat Accolade

 

Reageer op dit artikel