artikel

Het stelsel van de Omgevingswet krijgt steeds meer vorm

bouwbreed 966

Het stelsel van de Omgevingswet krijgt steeds meer vorm

Afgelopen jaar leek het er een aantal maanden op dat bij de voortgang van het ‘bouwproces’ dat moet leiden tot een complete Omgevingswet inclusief alle aanvullingswetten, invoeringswet en uitvoeringsregelgeving geen grote stappen werden gezet. Afgelopen zomer is daar echter verandering in gekomen.

Zo is op 2 juli 2018 het wetsvoorstel voor de Invoeringswet Omgevingswet aan de Tweede Kamer aangeboden. Een kleine twee maanden later, op 31 augustus 2018, zijn de vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) die bij de Omgevingswet behoren: het Omgevingsbesluit (Ob), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gepubliceerd in het Staatsblad.

De Invoeringswet en de AMvB’s vormen belangrijke bouwstenen voor het nieuwe stelsel. Even ter vergelijking: de tekst van de Omgevingswet (de ‘hoofdwet’) die in 2016 in het Staatsblad is gepubliceerd, telt 105 pagina’s. De vier AMvB’s nemen echter samen 3361 (!) pagina’s Staatsbladtekst in beslag. Het Kamerstuk met het wetsvoorstel voor “Aanvulling en wijziging van de Omgevingswet, intrekking van enkele wetten over de fysieke leefomgeving, wijziging van andere wetten en regeling van overgangsrecht voor de invoering van de Omgevingswet (Invoeringswet Omgevingswet)” heeft een omvang van 184 bladzijden.

Opvallend

Behalve de omvang van de AMvB’s en de Invoeringswet is ook de inhoud van deze bouwstenen voor het nieuwe omgevingsrecht opvallend. Zo is een invoeringswet – in de strikte zin van het woord – een wet die zich beperkt tot het benoemen van wetten die met de invoering van een nieuwe wet worden ingetrokken of gewijzigd. Zoals al uit de naam van de Invoeringswet voor de Omgevingswet blijkt, regelt deze invoeringswet beduidend meer. De invoeringswet bevat ook voor de bouwpraktijk zeer belangrijke wetswijzigingen die belangrijke aanvullingen vormen op wat al in de hoofdwet van de Omgevingswet was geregeld.

Twee onderwerpen uit de Invoeringswet worden hierna kort belicht: (1) de scheiding van de toetsing van bouwplannen aan technische bouwvoorschriften enerzijds en aan bepalingen van het omgevingsplan anderzijds en (2) nadeelcompensatie. Voor een uitgebreide toelichting van deze en andere onderwerpen wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Invoeringswet.

Wat betreft het eerste onderwerp: nadeelcompensatie is in de Invoeringswet een overkoepelende term voor schade die rechtmatig door de overheid wordt veroorzaakt. Daarbij kan gedacht worden aan schadevergoeding voor langdurige wegopenbrekingen, aanleg van metrostations en grootschalige waterwerken. Onder nadeelcompensatie wordt ook begrepen wat onder geldende wetgeving wordt verstaan onder planschade.

Andere opzet

Met betrekking tot het tweede onderwerp wordt in de Invoeringswet een andere opzet voorgesteld voor het bepalen van de vergunningplicht voor bouwactiviteiten en het in stand houden van bouwwerken. Daarbij wijzigt de huidige regeling fundamenteel. Een aanvraag wordt onder de Wabo namelijk (vergunningsvrije bouwwerken daargelaten) zowel getoetst aan de technische regels uit het Bouwbesluit 2012 als aan het bestemmingsplan, de bouwverordening en aan welstandsregels.

Daardoor kan het in het huidige systeem zo zijn dat er alleen om ruimtelijke redenen (in verband met het bestemmingsplan of de welstandstoets) een vergunning nodig wordt geacht, terwijl er dan ‘automatisch’ ook moet worden getoetst aan de technische regels, ook als dat gezien de aard van het bouwwerk in de praktijk nauwelijks meerwaarde heeft. Andersom kan ook. Door de vergunning ‘op te knippen’ in een technische vergunning en een ruimtelijke vergunning probeert de Invoeringswet op dit punt te dereguleren.

Het IBR organiseert op vrijdag 2 november a.s. een Congres over de Omgevingswet met een focus op de laatste stand van zaken.


A.G. Bregman, Hoogleraar Bouwrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en verbonden aan het Instituut voor Bouwrecht in Den Haag en aan de Amsterdam School of Real Estate (ASRE).

Reageer op dit artikel