artikel

Zwart werk en de loyaliteit aan het bouwbedrijf

bouwbreed 37

Zwart werk en de loyaliteit aan het bouwbedrijf

Een bestuurder van een bouwbedrijf (B.V.) moet ervoor waken dat bouwprojecten binnen het bouwbedrijf wordt uitgevoerd en niet daarbuiten. Dat is zijn plicht ten opzichte van het bouwbedrijf, werknemers, aandeelhouders en financiers. Maar ook een rechter zal oordelen dat een bestuurder het bedrijf moet dienen.

In deze bijdrage staat advocaat Tom Teggelaar stil bij de (forse) risico’s die zich kunnen voordoen als dit uit het oog wordt verloren. Het gaatniet alleen om zwart werk, maar ook om het principe dat een bestuurder verplicht is kansen in de markt voor het bedrijf te benutten en niet voor zijn eigen belangen.   

Hoe het met zwart werk mis kan gaan 

De risico’s van zwart werken kunnen verstrekkend zijn, zo blijkt uit een recente uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Daaruit blijkt dat het om meer gaat dan fiscale risico’s die worden gelopen. 

Wat was er aan de hand? Twee broers (X en Y) voerden samen een bouw– en sloopbedrijf in de vorm van een B.V. waarvan zij beiden alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder waren. Zowel de bouw– als de sloopactiviteiten werden vanuit deze vennootschap geëxploiteerd. X was verantwoordelijk voor de slooptak en Y voor de bouwtak. Vast staat dat Y enkele klussen zwart had aangenomen. Het bouwbedrijf gaat vervolgens failliet. De curator schikt de zaak met Y en start een procedure tegen X die vindt dat hem niets te verwijten valt omdat niet hij degene was die zwart werkte. 

De rechtbank maakt echter korte metten met dit verweer en oordeelt dat het bestuur van een vennootschap collectief (X en Y gezamenlijk dus) verantwoordelijk is voor het door haar gevoerde beleid. De rechtbank veroordeelt X (de bestuurder die juist niet verantwoordelijk was voor de tak waarin het zwarte werk plaatsvond) om het gehele tekort in het faillissement te voldoen aan de curator. Dat zag hij vermoedelijk niet aankomen. 

Verstrekkende gevolgen 

Hoewel X zich netjes aan de regels hield, is hij persoonlijk aansprakelijk voor het gehele tekort in het faillissement omdat zijn broer zwart werkte. Dat oogt voor de lezer wellicht onrechtvaardig. Toch is het oordeel van de rechtbank niet verrassend. Een bestuurder moet immers het belang van het bouwbedrijf (de B.V.) dienen. Daarbij past een kritische opstelling van de ene bestuurder ten opzichte van de ander, een actieve rol om misstanden in de onderneming te ontdekken en het nemen van maatregelen ter voorkoming daarvan. En zwart werk komt er in dit geval op neer dat een bestuurder (Y) zelf verdient aan werk dat eigenlijk aan het bouwbedrijf had moeten worden gegund. Dat mag de andere bestuurder (X) niet toestaan.  

Corporate opportunity 

In de praktijk wordt nog wel eens vergeten dat het uitgangspunt – dat de bestuurder het belang van de vennootschap heeft te dienen – ook buiten faillissement geldt. Los van de vraag of sprake is van zwart werk is dus ook niet zonder meer toelaatbaar dat een bestuurder commerciële kansen (in jargon: ‘corporate opportunities‘) doorspeelt aan partijen die aan hem gelieerd zijn, bijvoorbeeld omdat hij als aandeelhouder daarbij betrokken is. Als de betreffende bestuurder tevens enig aandeelhouder van het bouwbedrijf is, dan zal de soep normaal gesproken niet zo heet worden gegeten.

Een bestuurder mag het bedrijf niet zomaar concurrentie aandoen

Maar als er andere aandeelhouders zijn betrokken, dan is niet moeilijk voor te stellen dat zij bezwaren zullen hebben tegen het feit dat de bestuurder kansen doorspeelt aan andere gelieerde partijen terwijl hij juist het belang van de vennootschap heeft te dienen. Het wordt nog wel eens vergeten dat een bestuurder, ook indien hij geen non-concurrentie beding in zijn arbeidsovereenkomst of managementovereenkomst heeft staan, het bedrijf niet zomaar concurrentie aan mag doen. Bent u als aandeelhouder betrokken bij een onderneming waarin dit toch het geval is, dan zijn er mogelijkheden om daar tegen op te treden.  

Wanbeleid 

In het geval dat er betwijfeld mag worden of een bestuurder niet in strijd heeft gehandeld met het beginsel dat hij het belang van de vennootschap (het bouwbedrijf) voorop moet stellen, dan kunt u daartegen bezwaar maken bij de ondernemingskamer van het Gerechtshof in Amsterdam, een gespecialiseerde instantie die zich vooral over dit soort zaken buigt. Indien blijkt dat de bestuurder zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeleid, dan kunnen de gevolgen voor de bestuurder verstrekkend zijn. Zo kan de ondernemingskamer overgaan tot schorsing of ontslag van deze bestuurder, aandelen ‘bevriezen’ of besluiten vernietigen. De ondernemingskamer heeft de reputatie in de praktijk zeer kritisch te zijn op bestuurders die het niet te nauw nemen met het belang van de vennootschap.  

Kortom, bent u bestuurder van een bouwbedrijf, houd dan in het achterhoofd dat van u wordt verwacht dat u optreedt tegen gevallen waarin projecten worden doorgeschoven aan andere partijen dan het bouwbedrijf. Bent u bijvoorbeeld als aandeelhouder betrokken bij een onderneming waarin u merkt dat het bestuur het niet zo nauw neemt met dit principe, bedenk dan dat er mogelijkheden zijn om voor uw belangen op te komen. 



T.J. (Tom) Teggelaar  is advocaat bij Poelmann van den Broek Advocaten.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels