artikel

‘Succesvolle wet vraagt om duidelijkheid’

bouwbreed 39

‘Succesvolle wet vraagt om duidelijkheid’

In de Tweede Kamer vond op donderdag 29 september een rondetafelgesprek plaats in het kader van het Wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het Bouwen. Volgens Evelien Bruggeman valt er nog een hoop (juridische en praktische) winst te behalen met het verschaffen van duidelijkheid over rollen, taken en bevoegdheden.

[intermezzos:2]Er is al heel veel over het wetsvoorstel gezegd en geschreven.  En donderdag was dat niet anders. Bijna 20 vertegenwoordigers van vooral marktpartijen, belangenorganisaties en een enkele onafhankelijke inspreker kwamen aan het woord (velen dienden vooraf een schriftelijke nota in met daarin hun visie op het voorstel).  

Onduidelijkheid

Ook het Instituut voor Bouwrecht was uitgenodigd en had het één en ander op en aan te merken. Omdat een ronde tafel zich niet leent voor diepgaande juridische discussie, was door het Instituut de kritiek samengevat onder de noemer onduidelijkheid. Onduidelijkheid over de betekenis van de wet op veel punten, over de uitwerking ervan, over de rol van partijen, over de consequenties voor de praktijk. En op het begrip onduidelijkheid en de daaraan verbonden gevaren, wil ik hier dieper in gaan. 

Niet uitgewerkt

Veel in de nu voorliggende wet is namelijk nog niet uitgewerkt. Het voorstel omvat een totale stelselwijziging, maar die wijziging is nu (nog) gevangen in zeven  a4-tjes aan voorgestelde wetswijzigingen. Voor een ingrijpend voorstel dat gevolgen heeft voor de gehele bouwsector in al zijn verschillende hoedanigheden, is dat karig.  

De bouw is divers

‘De bouw’ omvat een scala aan uitersten en alles daartussenin:  van uiterst professionele opdrachtgevers tot totale leken, van zeer gespecialiseerde bouwbedrijven, tot kleine ondernemers, van zeer complexe bouwwerken tot eenvoudige bruggetjes of schuurtjes, en daar doorheen loopt weer een veelheid aan samenwerkingsvormen en contractsvormen waarin al die actoren een (andere) rol spelen.  Door de diversiteit van het bouwproces zijn die rollen niet altijd hetzelfde te definiëren, en ook niet in elke fase of elke ‘bouwketen’ hetzelfde.   

Wie mag iets en wie moet iets?

In een complexe feitelijke of maatschappelijke omgeving is voor een succesvolle invoering van een wetsvoorstel één ding essentieel: duidelijkheid. Duidelijkheid over de rol van elke actor in elke specifieke samenwerkings- of bouwvorm. Duidelijkheid over een ieders verantwoordelijkheden en bevoegdheden: wie mag iets én wie moet iets in welke fase van de bouw. Daarna volgt pas de vraag wie aansprakelijk is in die keten.  

Wie wordt kwaliteitsborger?

Eén voorbeeld waarbij die duidelijkheid er niet is, is de rol van de kwaliteitsborger. De invulling van die rol hangt af van een veelheid van factoren, waaronder voor een belangrijk deel de inhoud van het (proces)instrument waarmee hij borgt. De wet zelf zegt weinig over de kwaliteitsborger. Het voorgestelde art. 7aa (wijziging van de Woningwet) zegt over de kwaliteitsborger onder d: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die met toestemming van de instrumentaanbieder een toegelaten instrument voor kwaliteitsborging toepast. In het ter consultatie nu voorliggende Besluit Wkb staat in art. 1.38 (voorstel tot wijziging van het Bouwbesluit) dat een instrument van kwaliteitsborging voorschrijft dat de kwaliteitsborging uitsluitend uitgevoerd mag worden door een borger die geen persoonlijk of zakelijk belang heeft bij de uitvoering van de werkzaamheden (ingevolge het tweede lid worden bij ministeriele regeling nadere regels gesteld hierover.)  

Aannemer is niet onafhankelijk

Belangrijk voor het slagen van deze wet, voor het daadwerkelijk borgen van de kwaliteit, zoals deze minister graag wil, is het waarborgen van onafhankelijkheid van de kwaliteitsborger. Nou lijkt mij dat het begrip onafhankelijkheid, in combinatie met wat staat in 1.38 van het besluit Wkb, niet voor tweeërlei uitleg vatbaar zou moeten zijn. Maar daar blijkt de praktijk toch anders over te denken. Maar tijdens de ronde tafel bleek, dat aanwezigen meenden dat bij gevolgklasse I -gebouwen ook best borging door de aannemer zelf kan plaatsvinden. Dat is, zonder discussie, iemand die wel een belang heeft bij de bouw. Voorts is er de aannemer die voor zijn borger  een aparte BV in het leven roept. Mag dat?  

Het lijkt mij dat dat die borger via de BV alsdan ook een zakelijke belang bij die bouw heeft. En (ik praat dan nog steeds over gevolgklasse I en bijvoorbeeld nieuwbouw voor consumenten waar de opdrachtgever de borger niet kan contracteren, simpelweg omdat hij vaak nog niet in beeld is) hoe zit het met de zelfstandige borger, die altijd dezelfde aannemer als opdrachtgever heeft? Die zal ook zijn volgende opdracht van deze aannemer willen binnenhalen en geen belang hebben bij een al te kritische houding. Hoe met die situatie om te gaan? 

Instrumentaanbieder ook onafhankelijk?

Wat te denken van de eisen die te stellen zouden zijn aan een instrumentaanbieder? Daar zegt de wet niet veel over. Moet die instrumentaanbieder ook onafhankelijk zijn? Denkbaar is dat bouwondernemers zelf instrumenten gaan ontwikkelen, zij zijn immers de specialisten. Mogen zij de eigen instrumenten gebruiken in de eigen bouwwerken? En hoe is dan hun verhouding tot de borger die zowel het instrument moet gebruiken dat ontwikkeld is door een bouwondernemer, maar ook het bouwwerk gebouwd door die bouwondernemer moet keuren? Een instrumentaanbieder heeft namelijk ook de bevoegdheid een borger het gebruik van het instrument te ontzeggen, waardoor mogelijk een dwangpositie kan ontstaan dat het instrument van de te controleren bouwondernemer gebruikt moet worden.  

Ingewikkelde verhoudingen

Er zijn ook ingewikkelder verhoudingen denkbaar. We zien bijvoorbeeld nu al dat de instellingen die garanties afgeven voor nieuwbouw (zoals SWK en Woningborg) hun eigen instrumenten ontwikkelen. Uit de Memorie van Toelichting bij de wet blijkt dat de minister dat een heel goed idee vindt. Maar zij komen daarmee wel in juridische verhouding te staan tot zowel de borger die het instrument gebruikt (en daarmee het bouwwerk keurt), als de aannemer aan wie het keurmerk verstrekt wordt en wiens gebouw met hun instrument wordt gekeurd (met nog als voorwaarde dat met de garantie- en waarborgregeling wordt gecontracteerd richting de consument en hoogstwaarschijnlijk het beding dat met hun instrument moet worden gekeurd).  

Problemen

En zo zijn nog veel meer en ook nog complexere verhoudingen te bedenken die, als ze vooraf niet doordacht worden, voor problemen kunnen zorgen. Problemen die gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het gebouwde, de verhoudingen in de bouw, en uiteindelijk ook (dat was een vraag tijdens de ronde tafel) de geschilbeslechting. (En dan heb ik nog niet eens uiteen gezet hoe complex de geschilbeslechting tussen al die verschillende actoren in het bouwproces in elkaar zit.)  

Kortom: er valt nog een hoop (juridische en praktische) winst te behalen met het verschaffen van duidelijkheid over rollen, taken en bevoegdheden.  



mr. dr. Evelien M. Bruggeman is senior stafmedewerker bij het Instituut voor Bouwrecht. 

De schriftelijke opmerkingen die door het IBR en de andere aanwezigen werden ingediend zijn in te zien via de website van de Tweede Kamer. Op de website van het IBR staat meer informatie over het wetsvoorstel en zijn via het online kennisplatform (de zgn. IBR Tracker) een groot aantal artikelen over  het onderwerp op te vragen. 

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels