artikel

Steden ontstijgen het (stads)gewest

bouwbreed

Zestig jaar terug raakte in de Nederlandse ruimtelijke ordening het begrip stadsgewest in zwang. Het begrip was lange tijd leidraad voor het verstedelijkingsbeleid van de rijksoverheid. Maar nu dit grotendeels ter ziele is, raakt ook het begrip stadsgewest in onbruik.

Dat heeft niet alleen met het wisselende tij van het rijksbeleid te maken, maar ook met allerlei andere maatschappelijke ontwikkelingen.

Onder invloed van de elkaar onderling versterkende werking van globalisering en ICT-gebruik leven we steeds meer in een netwerksamenleving, waarin steeds minder plaats lijkt te zijn voor zoiets ruimtelijk afgeronds als een stadsgewest.

Ook bestuurders evolueren mee. Zij komen tot het inzicht dat niet langer de plannen van de overheid doorslaggevend zijn voor wat in stedelijk Nederland gaat gebeuren. Bestuur(lijke) indelingen volgen ook in dat opzicht inhoudelijke opgaven. Het draait daarbij om netwerken van relevante stakeholders die samen een gewenste maatschappelijke output nastreven. De structuur van het openbaar bestuur als zodanig is weinig doorslaggevend, zolang de belangen maar voldoende in elkaars verlengde liggen. Deze samenwerking is gediend met inzicht in de manier waarop steden functioneren in een netwerksamenleving.

Volgens de Amsterdamse economisch planoloog Pieter Tordoir zitten Nederlandse steden in een overgangsfase tussen stadsgewestelijke en intergewestelijke structuren. In zijn jongste, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken verschenen publicatie ‘De veranderende geografie van Nederland’ werkt Tordoir deze gedachte aan de hand van diverse soorten verplaatsingen empirisch uit.

Hij constateert dat eenzijdige oriëntatie op de centrale stad is verminderd en de kriskras-oriëntaties binnen uitdijende stadsgewesten zijn toegenomen. Opschaling en fragmentatie zorgen voor een verschuiving van de traditionele hiërarchische sterstructuur van stadsgewesten naar een ringstructuur waarin stad en het omliggende gebied worden verbonden. De traditionele stadscentra en bedrijvenclusters op prestigieuze ringlocaties vormen de voornaamste knooppunten in deze ruimtelijke netwerken.

De opschaling in de netwerksamenleving houdt geen halt bij de grenzen van de stadsgewesten. Zo laten de jaarlijks ongeveer één miljoen veranderingen van werkplek een interstedelijke structuur zien, waarbij grote steden per saldo winnaars zijn. Deze verplaatsingen worden voornamelijk gevoed door goed opgeleide jongeren in het begin van hun arbeidscarrière. Nederland is voor hen een samenhangende netwerkstad.

Nieuwe opgaven

Er doen zich dan ook allerlei nieuwe – zeker ook bestuurlijke – opgaven voor zoals het creëren van voorwaarden om markten voor arbeid, huisvesting, toelevering, voorzieningen of ecosystemen ruimtelijk beter te laten functioneren. Ook het voorkomen en bestrijden van maatschappelijk en economisch ongewenste gevolgen van nieuwe ontwikkelingen zal moeten leiden tot een nieuwe (ruimtelijke) herverdeling. En ten slotte gaat het om het tegengaan van negatieve externe effecten, zoals in krimpregio’s waar welvaart en welzijn onder druk staan of bij steden die niet meer bestand zijn tegen de nieuwe eisen van mobiliteit, milieu, huisvesting of werkgelegenheid. Economie en samenleving houden zich steeds minder aan grenzen en verschillen in netwerken kunnen leiden tot spanningen vanwege divergerende belangen. Het spel wordt als het ware steeds spannender, temeer omdat bestuurders zullen willen voorkomen dat er door van opschaling en fragmentatie nieuwe vormen van ontoelaatbare ongelijkheid binnen ‘hun’ gewest of regio ontstaan. En hoe negatieve externe effecten van buiten kunnen worden gekeerd. Dan zijn duidelijke verantwoordelijkheden des te relevanter.

Regionaal-economisch en ruimtelijk ordeningsbeleid is bij uitstek het domein geworden van provincies en gemeenten. Maar gezien het toenemende netwerkkarakter van samenleving en ruimte komt onherroepelijk de vraag aan de orde of dat niet zou moeten leiden tot meer flexibiliteit, lenigheid en differentiatie in het publiek domein. Ook de bestuurlijke positie van provincies of gemeenten is dan niet altijd vanzelfsprekend. Zeker in Europees perspectief. De netwerkstad van nu vraagt om bestuurlijke arrangementen die wellicht verdergaan dan het oprichten van metropoolregio’s of het afschaffen van WGR-regio’s. Het ontwikkelen van bestuurlijke slagkracht en innovatieve veranderingen zijn immers van veel groter belang voor de vorming van stedelijke netwerken.

Dit is een van hoofdthema’s van de Agenda Stad. Het gaat daarbij om arrangementen op verschillende (bestuurlijke) niveaus: lokaal, regionaal en Europees. Dat veronderstelt maatwerk en netwerkbestuur, maar zeker ook discussie over en inzicht in nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zoals die van de netwerkstad. De stad in nieuwe vormen is immers onmiskenbaar een netwerkstad die vraagt om netwerkbestuur. En een overheid die op inhoudelijke ontwikkelingen reageert en anticipeert. Wie die kansen liggen laat, kan dat hooguit zichzelf verwijten.

Prof. dr. Oedzge Atzema, drs. Robbert Coops en drs. M.M. Frequin

Respectievelijk verbonden aan de Rijksuniversiteit Utrecht, Winkelman Van Hessen en het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dit artikel is een vervolg op eerdere bijdragen over de Agenda Stad van 16 oktober 2014, 23 januari, 20 maart en 30 april 2015

Pieter Tordoir, Ale Poorthuis en Piet Renooy (2015): De veranderende geografie van Nederland; de opgaven op mesoniveau; Ruimtelijk Economisch Atelier Tordoir en Regioplan, Uitgeverij ROM, ISBN 978-90-820914-2-7, Den Haag

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels