artikel

Blog: Paniek in de speeltuin

bouwbreed

Blog: Paniek in de speeltuin

De nieuwe speeltuin in het kleine, maar gezellige dorp Wocoland is gesloten. Er gebeurden te veel ongelukken.

De jongens in de buurt waren er maar wat blij mee. Na schooltijd was er nooit wat te doen in het suffe dorpje. Nu was er een spiksplinternieuwe speeltuin aan het dorpsplein. Bijna net zo mooi als die van het dorp verderop. Had de burgemeester en zijn wethouders voor gezorgd. Je kon er van alles doen. Er stond een hoge glijbaan, er waren takelbanen, er lag een berg speelzand, en er stonden vier kisten met blokken hout. Om mee te bouwen. De braafste jongens zaten altijd bij de blokken. Zachtjes fluisterend. Een ander groepje kinderen speelde nooit. Dat bleef liever thuis.

De burgemeester had liever actieve kinderen. Hij zei dat spelen gezond was, en ook de ouders, die over het algemeen welgesteld waren, vonden dat hun kinderen buiten moesten spelen. Ze gaven hun kinderen geld mee om een ijsje te kopen.

Lef

Als de rustige jongens aan het eind van de middag naar huis gingen, bleef er altijd een groepje jongens hangen. Eigenwijze Erik met zijn vriendje Marcel, spraakwaterval Rinie, de geheimzinnige Peter en Leks, de leergierige Martien en vrolijke Hubert. En verderop zaten vaak nog Jaap en Walter. Het waren jongens met lef. Ze stonden vooraan toen de speeltuin werd geopend. Stormden direct op de speeltoestellen af. De burgemeester zwaaide met een brede glimlach naar ze als hij met zijn fiets tegen etenstijd de speeltuin passeerde.

Gedurende de jaren groeit de onvrede over de speeltuin. De kinderen werden brutaler, de ouders uit de buurt vroegen zich af of sommige jongens wel goed opgevoed werden.

Op een middag loopt de burgemeester de speeltuin op, hij wil eens kijken hoe het gaat. Hij heeft gehoord dat het misschien beter is een bewaker op het speelplein neer te zetten. Er zijn mensen uit het dorp die vinden dat dat nodig is. De bewakers moeten de vervelende kinderen in het nekvel kunnen pakken. Maar hij twijfelt of dat wel het beste is. Willem, een buurtbewoner die vaak met de jongens spreekt, zegt dat ze prima voor zichzelf kunnen zorgen.

Boot

De burgemeester gaat op een onopvallend bankje zitten. Het plein krioelt van de kinderen. De rustige kinderen ziet hij heel in de verte. De lefjongens, die hij inmiddels allemaal van naam kent, vallen hem het meest op. Het zal een middag worden die de burgemeester nog lang zal heugen. De kleine Jim stapt van de schommel en loopt op zijn vader af. “Mag ik een aap?”, hoort de burgemeester de jongen aan zijn vader vragen. “Nee, schat”, antwoord Jims vader verbaasd. “Dat mag niet in dit dorp. Ga maar weer schommelen of met die blokken spelen.” Jims jonge broer Martien komt enthousiast aangehuppeld. Moeder loopt naar hem toe. “Mama, mag ik een boot kopen? Hij kost maar 6 euro.” Moeder kijkt even bedenkelijk. Waarom niet, denkt ze. Martien doet altijd goed zijn best op school. “Toe maar, jongen. Maar wel van je eigen zakgeld”, zegt ze. “Is goed mama”, zegt Martien, en hij huppelt weer weg.

De blik van de burgemeester dwaalt af naar de zandbak. Rinie, een ijverige jongen die in Rivierenbuurt woont, is bezig een grote tunnel te graven. Een jongen die op de rand van de zandbak zit, zegt dat Rinie niet goed wijs is. “Die tunnel gaat instorten!” Rinie lijkt niet te luisteren. Martien komt even later terug van de winkel. “De boot is duurder: 40 euro”, zegt hij. “Dat heb ik niet, maar ik ga hem samen kopen met een vriend.” Hij lijkt nauwelijks teleurgesteld. “Goed, jongen”, zegt moeder.

Er klinkt geschreeuw op het plein. Ruzie. Peter en Leks krijgen op hun kop van buurman Jan. Ook de ouders van de jongens staan erbij. Peter en Leks hebben niets aan hun ouders verteld over waar ze uithangen, vangt de burgemeester op. En nog erger: ze hadden zonder te vragen geld uit de huishoudportemonnee gestolen en daarvan snoep gekocht. De buurman had het gezien. Belgische bonbons en hele dure koekjes bij een Spaans delicatessenwinkeltje die gerund wordt door een afzetter. Ze moeten direct naar huis komen en krijgen straf.

Het begint te regenen. De meeste jongens spelen rustig door. De rustige jongens hebben prachtige bouwwerken gemaakt. Maar de burgemeester kijkt niet hun kant op.

Martien heeft nog steeds zijn boot niet. Maar het lijkt hem niet te deren. “De boot is nóg duurder. Hij is 90 euro. Er moet nog wat aan gedaan worden”, zegt hij tegen zijn vader. “Trouwens, mijn vriend wil niet meebetalen. Mag ik wat geld lenen?” Vader, die het niet al te breed heeft, gromt wat, maar geeft dan het geld. “Maar je krijgt geen cent meer!”

De rustige jongens aanschouwen het met stijgende verbazing. Wat moet die Martien met een boot? Je kan in dit dorp niet eens varen. Hubert interesseert het niet, hij rijdt de hele dag met een grote glimlach rondjes op een blitse fiets van een duur Italiaans merk. Heeft hij van zijn ouders gekregen. Soms steekt hij zijn handen omhoog en roept: “Ik ben de koning van de speeltuin.” Af en toe komen zijn ouders kijken. “Wat is het toch een schatje, hè”, zeggen ze dan tegen elkaar.

Transfuus

Het regent nu keihard. De burgemeester gaat onder een afdakje staan. Hij vindt het steeds minder leuk op het plein. De kinderen trekken zich niets aan van hun ouders en doen waar ze zelf zin in hebben. De burgemeester wordt steeds chagrijniger.

Dan klinkt er een harde dreun. Erik is met een smak uit zijn zelfgebouwde klimtoren gevallen. De toren is nu half ingestort. Hij ligt op de stenen stoeptegels. Hevig bloedend. Alle kinderen draaien zich geschrokken om. Er klinkt gegil. Er wordt een ambulance gebeld. De burgemeester komt op een drafje aangelopen. Ambulancebroeders Jan en Roland zijn snel ter plaatse en leggen Erik aan het transfuus. De politie arriveert. Naast de klimtoren staan Marcel en Arjan. Ze hebben alles gezien. Wat is er gebeurd? Hebben ze geduwd? Ze wisten dat de toren wankel was. Erik moet dat geweten hebben, hij was er zelf bij toen het gebouwd werd, zeggen ze tegen de politie.

De jongens moeten mee naar het bureau. De politie zet de speeltuin af. Waarom lagen er geen zachte stoeptegels? vraagt de burgemeester. De ambulancebroeders kijken naar boven, naar de enorme klimtoren. Daarna kijken ze elkaar met grote pupillen aan: zo’n klimtoren hadden ze nog nooit gezien. Erik heeft een speciale bloedgroep. Alle jongens uit de buurt hebben dezelfde bloedgroep, ze worden gevraagd bloed te doneren. Ze mopperen, eigenlijk willen ze het niet, want Erik mogen ze niet. Bovendien was het ongeluk zijn eigen schuld. Híj had die gevaarlijke klimtoren gebouwd. En híj wilde toch nooit naar iemand luisteren. Toch staan ze bloed af.

Nooit meer open

Op het plein wordt schande gesproken over de speeltuin. Waarom was er geen bewaker? Waarom hebben de ouders niet opgelet? Was het wel verantwoord een speeltuin neer te zetten? De burgemeester heeft inmiddels de pest aan de speeltuin. Hij zwaait niet meer als hij na zijn werk langsfietst. Die klimtoren moet zo snel mogelijk worden opgeruimd, besluit de burgemeester. Alle kinderen moeten naar huis. Ook de rustige kinderen. De vervelende kinderen moeten zich melden bij de schoolmeester. De speeltuin gaat nooit meer open, zegt de burgemeester luid.

Lees ook de andere blogs van Marc Doodeman: De nacht van Moerkamp, Een baaierd aan schuldigen, De kamelenneus van Hubert Möllenkamp, Don Quichot in Deventer dromenland en Vestia. Een drama in drie akten en Het kiertje van Remkes

Volg Marc Doodeman over het verloop van de parlementaire enquêtecommissie woningcorporaties via twitter

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels