artikel

Heerlense legeszaak gemiste kans

bouwbreed

Heerlense legeszaak gemiste kans

Op 4 april heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de zogeheten ‘Heerlense leges- kwestie’. Een gemiste kans om het onrechtvaardige legessysteem een halt toe te roepen, vindt Stijn Stubenrouch.

In Cobouw van 19 maart schreef ik een artikel met als kop ‘Onredelijk legessysteem rijp voor verandering’. Hierin geef ik aan dat de advocaat-generaal bij de Hoge Raad in zijn advies aan de Hoge Raad in de zogenoemde Heerlense legeskwestie tot de conclusie kwam dat, indien de kosten van het in behandeling nemen van de bouwaanvraag extreem lager zijn dan de volgens de gemeentelijke tabel bepaalde legesheffing, de rechter tot de conclusie zou moeten komen dat het onderling totaal scheefliggen van de verdeling van de legesdruk tot een onredelijke en willekeurige belastingdruk leidt en in zoverre tot onverbindendheid van de legesverordening. Kortom: de te berekenen legeskosten mogen nooit hoger uitvallen dan de werkelijke met de behandeling van de bouwaanvraag gepaard gaande gemeentelijke apparaatskosten.

Wanneer de Hoge Raad deze conclusie van de advocaat-generaal zou volgen, zou dat een einde betekenen van het onrechtvaardige legessysteem, waarbij zeer grote verschillen bestaan tussen gemeenten op het gebied van het vaststellen van de hoogte van de legeskosten, veroorzaakt door de gemeentelijke autonomie op dit terrein. Er zou dan voor eens en altijd duidelijkheid ontstaan, de grote mate van willekeur zou tot het verleden behoren, transparantie zou niet langer ontbreken en aan kruissubsidiëring (de grote projecten dragen bij aan de kleine projecten) zou ook een einde komen. Allemaal gevolgen die gezien kunnen worden als stimulerende maatregelen in de vastgoedmarkt.

Raming van baten

De Hoge Raad heeft, zo blijkt uit het arrest, de conclusie van de advocaat-generaal evenwel niet overgenomen.

In de Heerlense zaak speelde onder meer de vraag of de heffingsambtenaar van de gemeente voldoende inzicht had gegeven in de raming van baten (de opbrengstlimiet, die volgens vaste jurisprudentie niet overschreden mag worden) van te verwachten aantallen bouwaanvragen en daarbij behorende bouwsommen. Deze raming is vervolgens, afgezet tegen de gemeentelijke apparaatskosten voor de behandeling van die aanvragen, uitgangspunt bij de jaarlijkse vaststelling van de legestarieven.

Het Hof (in hoger beroep) beantwoordde die vraag ontkennend . De heffingsambtenaar had dat inzicht niet of onvoldoende gegeven en had daarmee de bij de belanghebbende gerezen twijfel dat de bouwleges te pessimistisch waren geraamd, niet weggenomen.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een vernieuwde behandeling van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof te vergaande eisen stelt aan de raming van het bedrag van de baten dat in de gemeentelijke begroting is opgenomen en de onderbouwing daarvan. Met name zal een prognose van het aantal bouwaanvragen en daarbij behorende bouwsommen naar haar aard met veel onzekerheid omgeven zijn. Daaruit vloeit voort dat – anders dan het Hof kennelijk heeft aangenomen – bij die prognose geen zekerheid of een volledig inzicht kan worden verlangd ten aanzien van het te verwachten aantal aanvragen en de bijbehorende bouwsommen. Verder brengt dit mee dat het een gemeente die voorzichtigheid betracht bij het ramen van legesopbrengsten te dier zake, niet kan worden tegengeworpen dat zij die opbrengsten te pessimistisch heeft geschat. In het kader van de toetsing van de opbrengstlimiet op de voet van artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet kan het volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedrag aan legesopbrengsten pas dan niet worden aanvaard indien de gemeente die opbrengsten in redelijkheid niet op dat bedrag heeft kunnen ramen (vgl. HR 26 april 1989, nr. 25542, BNB 1989/242).

Met deze uitspraak blijft het legessysteem en met name het tarievenstelsel gebaseerd op ramingen en prognoses van te verwachten aantallen bouwaanvragen en daarbij behorende bouwsommen in een bepaald jaar. En daar zit men in de bouwwereld nu juist niet op te wachten. Het is voor die betrokkenen dan ook buitengewoon teleurstellend dat de Hoge Raad het advies van de advocaat-generaal niet gevolgd heeft.

Hernieuwde uitspraak

Is dit evenwel het einde van de poging om via de rechtspraak het legessysteem en het tarievenstelsel te wijzigen?

Het wachten is nu op een hernieuwde uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden in deze zaak. Maar die vernieuwde behandeling betreft alleen de vraag of de opbrengstlimiet (de totale opbrengsten van de legeskosten mogen niet stijgen boven de totale gemeentelijke apparaatskosten met betrekking tot de behandeling van bouwaanvragen) overschreden is. De vraag of, zoals de advocaat-generaal adviseerde, de legeskosten van een bouwaanvraag nooit (extreem) hoger mogen zijn dan de gemeentelijke apparaatskosten met betrekking tot die concrete bouwaanvraag, lijkt mij buiten de reikwijdte te vallen van de beantwoording van de vraag naar de overschrijding van de opbrengstlimiet. En als dat zo is, dan zijn we weer terug bij af en behoort de door de advocaat-generaal in de Heerlense legeskwestie aangedragen, voor de branche charmante, mogelijke oplossing om het huidige onrechtvaardige, willekeurige, niet-transparante legessysteem, gebaseerd op ramingen en prognoses een halt toe te roepen, helaas tot het verleden.

Mr.drs. C.J.M. Stubenrouch, advocaat bij De Jonge Advocaten, Rotterdam

Arrest: ECLI:NL:HR:2014:780

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels