artikel

Retentierecht kan ook voor onderaannemers gelden

bouwbreed

Openstaande vorderingen zijn een veel voorkomend probleem, zeker in deze tijden. Aannemers maken daarom steeds meer gebruik van het retentierecht: de bevoegdheid van een schuldeiser om de afgifte van een zaak, bijvoorbeeld een bouwwerk, op te schorten totdat de schuldenaar zijn vordering heeft voldaan (artikel 3:290 BW) .

De voorzieningenrechter in Leeuwarden heeft drie voorwaarden gesteld voor het effectief uitoefenen van retentierecht: 1) de vordering moet opeisbaar zijn; 2) voldoende samenhang tussen de vordering en de verplichting tot afgifte van de zaak; 3) de zaak moet duidelijk kenbaar in de feitelijke macht zijn van de schuldeiser, die tevens houder van de zaak moet zijn (LJN:BW920, Rb Leeuwarden, 22 juni 2012, 120018/KG/ZA12-158).

Van feitelijke macht is sprake, wanneer de zaak alleen weer in de macht van de schuldenaar te brengen is door afgifte, bijvoorbeeld door het overhandigen van de sleutel. Of daarvan sprake is, wordt bepaald aan de hand van verkeersopvattingen, de wet en uiterlijke kenmerken.

Afhankelijk van de omstandigheden kan feitelijke macht bijvoorbeeld worden bewerkstelligd door draglines, bouwmaterialen en dergelijke, zodanig te plaatsen dat derden het bouwwerk niet kunnen gebruiken. Vaak echter wordt een hek, voorzien van een groot hangslot, rondom de bouwplaats gezet met borden erop die de uitoefening van het retentierecht breed uitmeten.

Uitoefening van het retentierecht moet in ieder geval duidelijk blijken, temeer omdat het niet kan worden ingeschreven in openbare registers, zoals het Kadaster.

En de onderaannemer? Kan ook een onderaannemer het retentierecht uitoefenen als de hoofdaannemer zijn rekening niet betaalt? Hij heeft immers geen contract met de opdrachtgever. In genoemde uitspraak is bevestigd dat de onderaannemer op grond van artikel 3:291 lid 2 BW het retentierecht ook kan laten gelden tegenover derden met een ouder recht, in dit geval de eigenaar van het bouwwerk. Voorwaarde daarbij is wel dat de vordering van de onderaannemer moet voortkomen uit een (onderaannemings-) overeenkomst, die de hoofdaannemer bevoegd heeft gesloten.

In dat geval moet de eigenaar van het bouwwerk het retentierecht van de onderaannemer tegen zich dulden. Ongeacht of de vordering in verhouding staat tot de waarde van het bouwwerk.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels