artikel

Aansprakelijkheid voor verborgen gebreken

bouwbreed Premium

Aansprakelijkheid voor verborgen gebreken

Er ligt een voorstel om te komen tot een andere regeling van de verborgen gebreken. Wat zijn de belangrijkste wijzigingen?

Wat is het voordeel van het voorstel?

Eenvoud. Artikel 7:758 lid 3 BW bepaalt dat de aannemer ontslagen is van aansprakelijkheid voor gebreken, die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. De algemene voorwaarden bevatten varianten, maar hanteren in essentie dezelfde systematiek. De vraag ‘wat had de opdrachtgever dan redelijkerwijs moeten ontdekken’, leidt tot veel rechtspraak. De aannemer betoogt in dit soort gevallen dat de opdrachtgever deskundig was (of deskundig werd bijgestaan) en dat het gebrek voor deze opdrachtgever zichtbaar was. De opdrachtgever betoogt het tegenovergestelde. Aan deze discussie moet te vaak in rechte een eind worden gemaakt.

Maar wat als het om een ontwerpfout van de opdrachtgever gaat?

Het is niet de bedoeling van dit voorstel aannemers aansprakelijk te doen zijn voor datgene wat zij niet veroorzaakten. Er van uitgaande dat er geen sprake is van een schending van de waarschuwingsplicht van de aannemer, is de aannemer niet aansprakelijk voor ontwerpfouten indien het ontwerp niet van hem afkomstig is.

Hoe zit het met het bewijs van de ontwerpfout?

De bewijslast van de stelling van de aannemer, dat de fout op een ontwerp van de opdrachtgever is terug te voeren, rust op de aannemer. In het algemeen kan gesteld worden, dat bewijsrecht in arbitrages vaak minder problematisch is dan bij de gewone rechter vanwege de technische kennis van arbiters.

Wat als de opdrachtgever na oplevering zelf schade berokkent aan het gebouw?

Dat is dan geen verborgen gebrek. Dit kan de aannemer voor bewijsrechtelijke problemen plaatsen en dat kan lastig zijn. Maar dergelijke kwesties spelen bij iedere juridisch geschil. Bij grote (infrastructurele) projecten monitoren aannemers, naar ik heb horen zeggen, zelf wat er gebeurt na oplevering om aan dit bewijsrechtelijke probleem te ontkomen.

Wat als de opdrachtgever toestemming heeft gegeven om op een bepaalde manier het werk te verrichten en dat leidt tot (een niet op het proces-verbaal genoteerd) gebrek?

In wezen is dan de vraag of de opdrachtgever zich heeft begeven in de causaliteitsketen leidend tot de tekortkoming. Is dat het geval dan is de opdrachtgever mogelijk (mede) verantwoordelijk voor de tekortkoming en zal hij mogelijk het gebrek niet (dan wel niet geheel) aan de aannemer kunnen verwijten.

Hoort bij toezicht op de aannemer niet ook verantwoordelijkheid?

Dat is zeer de vraag. Wat is de betekenis van toezicht? En wanneer vond dat toezicht plaats? Als tijdens de uitvoering de namens de opdrachtgever optredende toezichthouder zich actief bemoeit met de gang van zaken, komen we in de sfeer van het in de causaliteitsketen treden leidend tot de tekortkoming. Maar zeker bij het toezicht aan het eind van het werk bij de oplevering rijst de vraag: wat is hier nog de bijdrage van het foute toezicht bij het ontstaan van de tekortkoming? En: is de fout in het toezicht waardoor iets niet gezien is, vergelijkbaar met de fout van de veroorzaker van het tekortkoming?

Maar betekent toezicht niet dat zichtbare gebreken worden aanvaard?

Dat hangt ervan af. Neem de volgende casus: bij de oplevering wijst de aannemer op een aantal gebreken en vraagt of er mee wordt ingestemd dat hij daar niet aansprakelijk voor is. Verkeert de opdrachtgever niet in dwaling en weet hij waar hij ja op zegt, dan is verdedigbaar dat de aansprakelijkheid van de aannemer is komen te vervallen. Maar zo gebeurt het natuurlijk lang niet altijd. Voorts: is het wel de bedoeling van toezicht dat dit leidt tot een dergelijke aanvaarding? Wellicht was dat vroeger het geval, nu wordt daar in toenemende mate anders over gedacht.

Aansprakelijkheidsregels zouden het sluitstuk van een contract moeten vormen. Het belangrijkste is om het recht zo in te zetten dat het werk goed kan plaatsvinden. Naast deze discussie moet er een over de positieve afspraken in de relatie gevoerd worden.

Prof.mr.dr. M.A.B. Chao-Duivis,directeur Instituut voor Bouwrecht en hoogleraar bouwrecht TU Delft

Reageer op dit artikel