artikel

Overheid en markt zijn samen sterker

bouwbreed Premium

De overheid moet in de ruimtelijke sector niet zozeer meer aan de markt overlaten, overheid en markt moeten vooral beter samenwerken, betoogt Johan Vermeer. Maar daarvoor moet de overheid wel de kennis in huis hebben om op niveau met markt in dialoog te kunnen gaan.

Laat de markt doen waar de markt goed in is, en laat de overheid zich vooral op haar kerntaken concentreren. Het is niet moeilijk om het met deze rolverdeling eens te zijn. Maar zodra je er meer in detail naar kijkt, wordt het al lastiger. Want wat zijn nu precies die publieke kerntaken? En wat maakt de overheid ‘de overheid’? Het essentiële verschil met de markt is dat de overheid bij het behartigen van het algemene, publieke belang zich nadrukkelijk ook op immateriële zaken richt, zoals rechtvaardigheid, democratie en duurzaamheid. Noem het voor het gemak maar de ‘softe’ aspecten. Maar de overheid onderscheidt zich ook van de markt door het langetermijnperspectief dat ze daarbij heeft.

Nederland heeft een uitstekende private ingenieursmarkt. Toch betekent dat niet dat de technische kennis voor het ontwerpen, bouwen en onderhouden volledig aan de markt kan worden uitbesteed, zoals soms wordt gesuggereerd. Steden zijn veranderende, organische ‘wezens’. Hun behoeften zijn niet in een prestatiebestek te omschrijven en op de markt te zetten. De onderdelen moeten vooral in hun onderlinge samenhang worden bekeken. Er is dus ook minimaal één partij nodig die het overzicht heeft én bewaart. Is die er niet, dan kunnen onderdelen van een stad weliswaar uitstekend scoren, maar scoort het totaal juist niet – en om dat totaal gaat het nu net.

Zelfs achter ogenschijnlijk kleine, geïsoleerde vraagstukken gaat vaak een kluwen aan belangen, betrokkenen en verantwoordelijkheden schuil. De kwaliteitssprong op Rotterdam-Zuid bijvoorbeeld kun je alleen succesvol maken als je ook weet met welke andere projecten er raakvlakken zijn. Alle doelen die het openbaar bestuur heeft, moeten uiteindelijk hun plek krijgen in fysieke projecten. Je moet daarvoor aanvoelen wat er speelt, weten welke prioriteiten het stadsbestuur heeft, wat er binnen raadscommissies leeft en waar de gevoeligheden liggen. De dynamiek van een stad vraagt ook bij de fysieke, technische vertaalslag voortdurend om afstemming, bijstelling en terugkoppeling.

Werken in een stad als Rotterdam is voor stadsingenieurs en -projectmanagers politiek gestuurd – en zo hoort het ook. Het is niet vreemd als bij een ruimtelijke opgave al snel drie, vier wethouders betrokken zijn. Altijd is het nodig om partijen met elkaar te verbinden en hun vaak zeer uiteenlopende belangen bij elkaar te brengen. Precies dat is het vak van stadsingenieurs en -projectmanagers. Hun toegevoegde waarde zit minder in de primaire harde kennis, zoals de markt die heeft, maar veel meer in die zachte, minder goed te kwantificeren zaken. Zij bezitten de essentiële ongeschreven kennis die per definitie in de haarvaten van overheidskennisorganisaties zit.

De ruimtelijke inrichting van de stad vraagt om een combinatie van private efficiency, kennis en creativiteit, en de publieke holistische langetermijnvisie en het streven naar samenhang en effectiviteit. Voor die samenwerking is het wel nodig dat de overheid voldoende technisch inhoudelijke kennis heeft om als gelijkwaardige partner met de markt in gesprek te kunnen gaan. De overheid hoeft niet zelf de antwoorden te geven; ze moet vooral in staat zijn om de juiste vragen te stellen en de antwoorden van de markt goed te kunnen beoordelen op technische inhoudelijke aspecten, maar juist ook op al die aspecten die de overheid de overheid maken.

Goede samenwerking is nodig, intensief en in een vroeg stadium. Het is namelijk de combinatie van de sterke eigenschappen van markt en overheid die zorgt voor een geheel dat sterker is dan de som der delen.

Reageer op dit artikel