artikel

Nog één keer ‘echte’ 
architectuurkritiek

bouwbreed

Oppervlakkig gezien, constateert Jan den Boer, verschilt de 25ste editie van het Jaarboek Architectuur in Nederland nauwelijks van voorgaande edities. De illustraties zijn zoals altijd de vooral op het modernisme geïnspireerde gebouwen, gefotografeerd tegen een min of meer strakblauwe lucht. Maar bij nadere beschouwing blijkt het een interessante en vooral meerlagige uitgave.

De eerste laag die na eerste beschouwing zichtbaar wordt, is een ‘best of’ met tien projecten van de afgelopen 25 jaar, verkozen door vorige redacties, en de dertig gekozen projecten van het afgelopen jaar. Opnieuw een prachtig en degelijk overzicht, belangrijk voor iedereen die bij wil blijven in de hedendaagse architectuur.

Maar de verschillen worden pas echt voelbaar in de stijl tussen het overzichtsartikel van Bernard Colenbrander, redactielid van het eerste uur, en het artikel ‘Wil de echte architectuur nu opstaan’ van Samir Bantal en Anne Luijten, die de huidige stand van zaken in de architectuur analyseren.

Colenbrander licht het onderscheid in stijl zelf toe bij de presentatie van het jaarboek eind april. Hij maakt een onderscheid tussen intellectuele architectuurkritiek en architectuurjournalistiek. Na 2000 treedt volgens hem een verschuiving naar architectuurjournalistiek plaats. Geen wonder, zegt hij na afloop, dat hij de laatste jaarboeken niet meer gelezen heeft. Hij verlangt terug naar de tijd van Archis, de tijd van de echte architectuurkritiek.

Als je van een nieuwe generatie bent en je hebt Archis nooit gelezen, dan kun je in zijn verhaal nog één keer ervaren hoe dit is. Om het verschil te duiden kan ik de woorden gebruiken van het artikel van Samir Bantal en Anne Luijten, de huidige redactie. Zij beschrijven hoe ‘te lang een groot deel van de beroepsgroep gewerkt heeft vanuit het idee dat architectuur meer een kunstvorm was dan een praktisch, dienend doel had voor een opdrachtgever – met de bijbehorende arrogante houding waar de sector in de buitenwereld om bekend staat.’

Colenbrander verwoordt het anders, hij maakt onderscheid tussen het tijdperk van de egel, die maar één ding kan waarbij hij zich thuisvoelt, en het tijdperk van de vos, die beweeglijk is, zich continu aanpast.

Ondanks alle intellectuele omzichtigheid wordt in zijn stuk soms toch ineens duidelijk waar het hem om gaat: het modernistische woonhuis van Francine Houben en Erick van Egeraat in Rotterdam is ‘een uitstalkast van goede smaak’, de studentenwoningen De Struyk van Carel Weeber, met zijn ‘gecultiveerde vulgariteit en gemengde kleuren pracht’ is juist ‘een overschrijding van de goede smaak’.

Intussen is duidelijk dat het tijdperk van Colenbrander en zijn manier van beoordelen voorbij is. Bantal en Luijten schrijven hoe dit belaste verleden moet worden losgelaten. De architect is niet meer degene die weet wat goed is voor mens en maatschappij. Het is tijd voor dienstbaarheid, ondernemerschap en activisme.

Omslag

Die omslag komt misschien niet helemaal van binnenuit. De volgende laag in het jaarboek is namelijk de meest schokkende. Voor veel mensen bekend, maar als je het leest stemt het toch verdrietig. 25 jaar geleden een start in crisis, vervolgens een enorme rijkdom aan architectuurbeleid, ruimtelijk ordeningsbeleid, sterrenstatus van architecten en, ondanks alle kritiek op projectontwikkeling, hebzucht en al die andere dingen waaraan de bouw aan ten onder is gegaan, toch een rijkdom aan prachtige architectuur. We zijn terug in een crisis, en het architectuur- en ruimtelijke ordeningsbeleid wordt snel afgebouwd.

Gaan we dit ook zien in de architectuur? Erick van Egeraat denkt dat er geen relatie bestaat tussen economische toestand en architectuurkwaliteit. Hij schetste hoe 25 jaar geleden onder invloed van allerlei partijen vooral lelijke architectuur werd gebouwd, waaronder hij ook het Danstheater in Den Haag van Rem Koolhaas rekent. Vervolgens kwam het ‘beter als het minder is’ van onder meer Claus en Kahn. En de huidige tijd is er volgens hem een waarin uitgesproken vormkeuzes mogelijk zijn. Van Egeraat vindt dat bemoedigend en hij voelt zich thuis in de beweeglijkheid van de vos, een architect als opportunist die de kans grijpt als die er is.

Jan den Boer, filosoof en stedenbouwkundige

Architectuur in Nederland, Jaarboek 2011/12. Bantal, Samir e.a. (red.), NAi uitgevers, Rotterdam, 2012. ISBN: 97890 566 2849 9.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels