artikel

Onvoorziene gevolgen milieueffectrapportage

bouwbreed

Vereenvoudiging van wetgeving op het gebied van het omgevingsrecht is een ‘hot item’. De Wabo was nog maar net in werking getreden of er werd al gesproken over de Omgevingswet. Volgens Crissy Burgemeestre is het nog maar de vraag of de met deze nieuwe wetgeving beoogde vereenvoudiging daadwerkelijk kan worden bereikt.

In de dagelijkse praktijk doen zich over de toepassing van de Wabo nog steeds nieuwe vragen voor. Op één aspect zal ik hier ingaan: de (on?)voorziene gevolgen van de Wabo voor de milieueffectrapportage (MER). Gesteld werd dat de Wabo geen inhoudelijke wijziging voor de MER met zich mee zou brengen. In mijn visie is er echter een tweetal veranderingen waar de initiatiefnemer van een concreet project en het bevoegd gezag rekening mee moeten houden.

Alternatieven

Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wabo diende voor op te richten inrichtingen bij het verlenen van de milieuvergunning – indien voldaan was aan een aantal voorwaarden – een milieueffectrapport (MER) te worden opgesteld. In een MER worden te verwachten milieugevolgen van de gewenste ontwikkeling in kaart gebracht en afgewogen tegen alternatieven. Met de inwerkingtreding van de Wabo is de milieuvergunning komen te komen vervallen en wordt voor inrichtingen de verplichting om een MER te doorlopen gekoppeld aan de omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning omvat in veel gevallen echter meer toestemmingen dan alleen de oude milieuvergunning, bijvoorbeeld de toestemming voor afwijken van het planologisch regime, bouwen of sloop. De MER moet in dat geval op alle in de omgevingsvergunning opgenomen toestemmingen zien. De milieugevolgen van deze toestemmingen moeten in de MER worden onderzocht. Dit betekent dat met de inwerkingtreding van de Wabo, voorheen niet MER-plichtige toestemmingen (zoals de bouwvergunning), onder de MER-plicht zijn komen te vallen. Aan deze wijziging is in de parlementaire geschiedenis van de Wabo en de literatuur nagenoeg geen aandacht besteed. Ik licht twee voorbeelden toe. Indien een op te richten inrichting tevens in strijd is met het bestemmingsplan, zal naast de toestemming voor het oprichten van een inrichting tevens toestemming voor het afwijken van het bestaande planologische regime nodig zijn. Dit betekent (kort gezegd) dat in de MER naast inrichtingsalternatieven tevens locatiealternatieven moeten worden onderzocht. Het onderzoeken van locatiealternatieven voor inrichtingen is nieuw. De initiatiefnemer en het bevoegde gezag moeten er op toezien dat hiermee bij het opstellen van een MER rekening wordt gehouden. De vraag is in hoeverre het voorgaande praktisch is, aangezien in veel gevallen de initiatiefnemer een inrichting op een specifieke locatie zal willen oprichten (bijvoorbeeld omdat hij die gronden in eigendom heeft). Aangezien slechts de redelijkerwijs te onderzoeken alternatieven dienen te worden beschouwd, ketst het onderzoeken van locatiealternatieven in een dergelijk geval daar mogelijk op af. Daarnaast is van belang dat op basis van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wabo de grondslag van de aanvraag van de milieuvergunning niet mocht worden verlaten, zodat van de aangevraagde locatie diende te worden uitgegaan. Dit leerstuk van ‘de grondslag van de aanvraag’ zal mogelijk worden verlaten in het wetsvoorstel voor de Omgevingswet. Dit zou in theorie de mogelijkheid creëren te verplichten om in de MER bij een omgevingsvergunning voor de oprichting van een inrichting (zonder afwijking van het bestemmingsplan) locatiealternatieven te onderzoeken. Hier blijft echter gelden dat bestaande grondposities hieraan in de weg kunnen staan, nu deze invloed zijn op de vraag of een alternatief redelijkerwijs dient te worden onderzocht.

Andere uitkomst

Daarnaast zullen bij de oprichting van een inrichting eveneens andere toestemmingen zijn benodigd, zoals de toestemming voor bouwen of sloop. Deze toestemmingen hebben – anders dan het afwijken van het bestaande planologische regime – vaak een beperkte ruimtelijke impact. Het is dan ook niet de verwachting dat het onderzoeken van de milieugevolgen van deze toestemmingen tot een andere uitkomst van de MER zal leiden. Strikt genomen moet de MER echter tevens op deze toestemmingen betrekking hebben. De initiatiefnemer en het bevoegde gezag dienen er – ondanks de eventuele beperkte ruimtelijke impact – bedacht op te zijn dat een korte paragraaf in de MER aan deze toestemmingen wordt gewijd. Alertheid is geboden.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels