artikel

Kabinet-Rutte verandert van koers in ruimtelijk beleid

bouwbreed Premium

Het kabinet-Rutte kiest voor een scherpe koerswijziging in het ruimtelijk beleid. Het Rijk beperkt zich tot enkele hoofdtaken en laat de rest over aan provincies, gemeenten en marktpartijen. Dat baart zorgen, maar biedt ook kansen. Het kabinet lijkt zich echter wel erg eenvoudig af te maken van de uitvoering. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zijn enkele belangrijke vragen niet voldoende aan de orde gekomen.

Bij het aantreden van het nieuwe kabinet was er schrik over de positie van het ruimtelijk beleid op rijksniveau. Althans bij een beperkt groepje ingewijden. Inmiddels is de (ontwerp) Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) tamelijk geruisloos verschenen en door de Tweede Kamer behandeld. Er is een directoraat-generaal Ruimte en Water gevormd dat, ingebed in de oude omgeving van Verkeer en Waterstaat, wellicht meer greep wil ontwikkelen op belangrijke rijkstaken. De SVIR bevat een compact beleid op hoofdlijnen waarvan de details nog moeten worden uitgewerkt of bijgesteld. De rijksoverheid maakt duidelijke beleidskeuzes en beperkt zich tot enkele kerntaken op het gebied van infrastructuur, energie en mainports. Voor het overige zijn provincies, gemeenten en marktpartijen verantwoordelijk. Hoe andere bestuurslagen hun ruimtelijk beleid inrichten mogen zij nu over het algemeen zelf weten. Als burgers het met een besluit van hun provincie of gemeente niet eens zijn, kunnen zij naar de rechter stappen.

Nu lijkt dit alles radicaler dan het is want ruimtelijke ordening (of ontwikkeling) is altijd al sterk gedecentraliseerd geweest met als kernelementen het gemeentelijke bestemmingsplan en de gemeentelijke bouwvergunning. En ook onder het vorige rijksbeleid konden andere bestuurslagen al grotendeels hun autonome gang gaan. De SVIR blijkt ten opzichte van zijn voorgangers in ieder geval strakker en consequenter: een goede doelomschrijving , een sterke beperking in het aantal rijkstaken, overbodige beleidscategorieën in de prullenbak, geen toetsing vooraf van plannen van andere bestuurslagen en nadruk op de uitvoering van rijkstaken. Bovendien wordt gewerkt aan een grondige vereenvoudiging van het omgevingsrecht. Na de volkshuisvesting en na het natuurontwikkelingsbeleid lijkt nu infrastructuur de belangrijkste aangever te worden van ruimtelijke ontwikkeling en ambities. Het meest opvallend is wel de grote vrijheid die aan provincies en gemeenten geboden wordt. Er zijn bijna geen richtlijnen meer waar zij zich aan moeten houden en de inspectie zal hun plannen niet meer vooraf aan het rijksbeleid toetsen. Eventuele correcties en aanvullingen op het planologisch beleid moeten vooral vanuit de samenleving komen. Voordeel van deze nieuwe koers kan zijn dat andere bestuurslagen niet langer de neiging hebben om zich op alle mogelijke manieren tegen de rijksbevoogding te verzetten. Voorheen leidde dat regelmatig tot kwalitatief matige compromissen. Het duidelijkste voorbeeld is misschien wel het Groene Hart dat open moest blijven maar waar voortdurend toch op allerlei plekken is gebouwd.

Belangrijke rijkstaak

Een belangrijke rijkstaak blijft de zorg voor de nationale infrastructuur. Daar valt volgens ons meer over te zeggen dan nu in de SVIR staat. Zet het Rijk bijvoorbeeld in op knooppunten van infrastructuur als aanzet voor de verstedelijking? Wat wordt het beleid voor het bouwen rond stations? Zou er niet meer aandacht moeten zijn voor ontbrekende schakels tussen rijkswegen als bijvoorbeeld de Rijnlandroute? Duidelijk is dat bij de planning van het mobiliteitsbeleid meer dan ooit rekening moet worden gehouden met grote onzekerheden. Ontwikkelingen als het nieuwe werken en het winkelen via internet maken dat mobiliteitsontwikkeling lastig te voorspellen is. Flexibele planning is dus meer dan ooit geboden.

De financiering van het ruimtelijk beleid is ook (nog) in nevelen gehuld. Weliswaar zijn budgetten gereserveerd voor infrastructuur en energie, maar voor het overige lijkt dit kabinet ervan uit te gaan dat marktpartijen en andere bestuurslagen die ontwikkelingen gaan betalen. Dat is een illusie en dus een dreigend gevaar voor de realisatie ervan. Vooral nu de gebruikelijke bron voor het genereren van geld (grondexploitatie) vrijwel is drooggevallen is het de vraag waar private en publieke investeringen vandaan moeten komen. Het kabinet zal dan ook op zoek moeten gaan naar nieuwe verdienmodellen.

Auteurs zijn respectievelijk hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht, partner Schuttelaar en partners, oud-inspecteur ruimtelijke ordening en planoloog bij Stadregio Amsterdam

Dit is het eerste deel uit een serie van drie artikelen.

Reageer op dit artikel