artikel

Voors en tegens van stadsenclave

bouwbreed

Moet een nieuwe enclave aansluiten bij de omgeving of kan een afwijkende ingreep ook een meerwaarde zijn? Jan den Boer gaat op zoek naar antwoorden.

De ontwikkeling van onze pluriforme samenleving levert boeiende discussies op. Veel van deze discussies blijven op een vrij abstract niveau steken en gaan bijvoorbeeld over tolerantie en acceptatie of juist over populisme en uitsluiting. Soms lijkt het alsof het nieuwe problemen zijn waar ook nieuwe oplossingen voor nodig zijn. Veel van die problemen zijn echter al eeuwen oud, veel oplossingen zijn al uitgebreid uitgeprobeerd.

Daarbij is het interessant om dit pluriformiteitsvraagstuk ook op een heel concreet ruimtelijk niveau te onderzoeken. Daar is een aantal actuele aanleidingen voor, de belangrijkste is dat de komende jaren de nadruk op de bouwproductie steeds meer in onze binnensteden komt te liggen. Leeggekomen industrie- en bedrijfsterreinen en verouderde woongebieden zullen opnieuw ontwikkeld moeten worden.

Vragen

Dat roept heel andere vragen op dan de productie van uitgebreide woonwijken in de buitengebieden. Drie vragen spelen een belangrijke rol: de juiste verhouding tussen het bestaande en het nieuwe, de mate van segregatie en de verhouding tussen elitaire en populistische standpunten. Een voorzichtige start van het onderzoek naar deze vragen wordt gemaakt in het boek ‘De stadsenclave van DASH’ (Delft architectural studies on Housing). Op de achterflap wordt de vraag naar pluriformiteit breed gesteld, maar het boek onderzoekt alleen de ruimtelijke vraag. Dit ruimtelijke onderzoek laat zien dat een studie van de ontwikkeling van enclaves in de stad van de afgelopen eeuwen interessante beelden en antwoorden kan laten zien op actuele vragen. Het goede van de studie is dat zowel qua tijd, nationaliteit als stijlkeuze het onderzoek breed opgezet is. Het boek geeft een mooi overzicht van de verschillen die aan de lezer zelf de mogelijkheid biedt om de voor- en nadelen van gemaakte keuzes te doorvoelen.

Een belangrijke vraag is of een nieuwe enclave moet aansluiten bij de omgeving, of dat een totaal afwijkende ingreep ook een meerwaarde voor de stad kan zijn. Voor de liefhebbers van het harde modernisme, die de Bijlmermeer ‘monumentaal’ vinden (zoals Dirk van den Heuvel in een van de artikelen in het boek) is het project The Barbican in de City van Londeneen prachtig voorbeeld. Consequent uitgevoerd in het ontwerp kun je veel beter dan in de Bijlmermeer (waar teveel ontwerp uitgangspunten losgelaten zijn in de uitvoering) de waarde van een dergelijk project in zijn geheel beoordelen. Volgens vele critici was het al mislukt bij oplevering, maar een van de ontwerpers, Powell, is nog steeds trots op deze op Le Corbusier geïnspireerde ingreep. Als je die inspiratie onderzoekt, zie je tegelijkertijd wel de grote gevaren hiervan. Het grote voorbeeld voor veel ontwerpers is het plan Voisinvan Le Corbusier voor Parijs, waar hij in 1925 voorstelde om een groot deel van het historisch centrum te slopen en te vervangen door een Bijlmermeerachtige stadsstructuur. Op die schaal is het gelukkig niet al te veel uitgevoerd, op een wat kleinere schaal staan vele Europese steden intussen vol met dergelijke ingrepen die sterk afwijken van de historische omgeving. Rotterdam is natuurlijk ook een bijzonder voorbeeld, waar de functionalisten het bombardement aangrepen om de binnenstad in een keer totaal van gezicht te laten veranderen.

Het boek laat met een Rotterdams project zien dat binnen zo’n moderne omgeving ook de omgekeerde vraag kan ontstaan: Piet Blom creëerde in de jaren tachtig met het plan voor de oude haven juist een meer traditionalistische enclave in het moderne Rotterdamse centrum.

Tapijt

Wanneer werkt zo’n enclave wel en wanneer niet? Ook de Nederlandse bouwer van neo-traditionalisme bij uitstek, Rob Krier, heeft hierop in een interview in het boek geen eenduidig antwoord. Enerzijds zegt hij dat het tapijt van de stad zorgvuldig in dezelfde stijl gerepareerd moet worden, anderzijds geeft hij met de Noorderhof in Amsterdam juist een totaal afwijkend antwoord op de omgeving en vindt hij dat verdedigbaar.

Het boek roept dus meer vragen op dan het antwoorden geeft. Soms wordt een afwijkende ingreep bejubeld, soms juist meer ter discussie gesteld. De criteria zijn niet altijd helder, populisme lijkt door de schrijvers nog steeds als een bedreiging gezien te worden waardoor een evenwichtige beoordeling soms ontbreekt. En een van de belangrijkste vragen van de achterflap wordt niet beantwoord: wat zijn de gevolgen van een enclave voor de bewoners, is het goed een eigen ruimte te creëren, of worden het teveel eilandjes in de stad?

Dick van Gameren e.a., De stadsenclave, DASH ( NAi uitgevers, Rotterdam, 2011. ISBN 978-90-5662-809-3)

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels