artikel

juridisch Heraanbesteding van opdracht

bouwbreed

In 2007 hield een gemeente een openbare aanbesteding voor het vervangen van een kademuur, met als gunningscriterium de laagste prijs.

In het bestek stond dat de te maken kademuur in de delen A1 en A2 was opgesplitst. Aannemer A had bij de gemeente als laagste ingeschreven. Conform het bestek werd de aannemer in de weken daarna door de gemeente verzocht nadere gegevens en specificaties van belangrijke werken en twee referentiewerken in te zenden, waarop de aannemer telkenmale – al dan niet voldoende onderbouwd – nadere informatie verstrekte.

Een maand later liet de gemeente aan aannemer A weten wegens budgettaire redenen het werk van de markt terug te trekken en niet over te gaan tot gunning. Vervolgens hield de gemeente een nieuwe onderhandse aanbesteding van een werk dat ongeveer overeenkwam met deel A2 van de oorspronkelijke opdracht, welk deel de grootste urgentie had. Aannemer A is voor die aanbesteding niet uitgenodigd. In januari 2008 heeft de gemeente dat werk aan een derde gegund.

Aannemer A was van mening dat deze handelwijze van de gemeente niet door de beugel kon en dat de gemeente met hem had moeten dooronderhandelen. Immers, het werk was nu gegund voor 1.100.000 euro terwijl aannemer A eerder voor deel A2 had ingeschreven voor 845.000 euro. Eerder had aannemer A bovendien voor hele werk de laagste prijs met 1.600.000 euro en de lengte van deel A1 was tweemaal zo groot is als de lengte van deel A2. Hier was volgens aannemer A sprake van hetzelfde werk en dus een niet geoorloofde heraanbesteding.

Volgens het Hof was de gemeente gerechtigd het werk uit de markt terug te trekken toen bleek dat zij daarvoor onvoldoende budget had. Gelet alleen al op de omvang van het oude deel A1 dat buiten de onderhandse aanbesteding is gebleven (met een kadelengte van tweederde van het totaal) kan de nieuwe opdracht niet als hetzelfde oorspronkelijke werk worden beschouwd. Hierdoor stond het de gemeente niet vrij de oorspronkelijke opdracht te beperken tot deel A2 en dat door aannemer A te laten uitvoeren. Dat zou strijd met het gelijkheidsbeginsel hebben opgeleverd.

Bij een onderhandse aanbesteding is een gemeente in beginsel vrij partijen zelf te selecteren, tenzij de gemeente bekend is met de belangstelling van aannemer A voor het werk. Ondanks die belangstelling hier, behoefde aannemer A toch niet te worden uitgenodigd, omdat de gemeente op het moment van de aanvang van de nieuwe aanbesteding geen zekerheid had over de vraag of aannemer A over de voor het werk benodigde geschiktheid beschikte.

Een inschrijver doet er dus niet alleen verstandig aan om in de eerste aanbesteding tijdig toereikende informatie over de geschiktheid en deskundigheid aan te leveren. Deze informatie kan ook een belangrijke rol spelen bij een onderhandse heraanbesteding van een deel van de oorspronkelijke opdracht en de grondslag zijn voor de aanbesteder om de inschrijver in ieder geval voor die procedure uit te nodigen.

Advocaten bij JPR Advocaten

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels