artikel

Maak social return goed meetbaar

bouwbreed

Veel gemeenten eisen van aannemers, dat zij mensen met een achterstand op de arbeidsmarkt betrekken bij uitvoering van werken.

Het Rijk gaat per 1 juli, op straffe van een boete, de inzet van 5 procent werklozen verplicht stellen bij alle aanbestedingen boven de 250.000 euro. Leen van Dijke vraagt zich af of dit een gewenste ontwikkeling is.

Economie is een normatieve wetenschap. Geen systeem waarvan we moeten uitgaan. Naar mijn oordeel beginnen we bij de vaststelling waaraan een economie moet voldoen. Dus bij een normatief kader. Een economie kan alleen maar ten goede functioneren, als het welzijn van mensen en de zorg voor de schepping centraal staan. Daaraan moet een overheid hen die in het economisch speelveld actief zijn toetsen en op selecteren.

Een overheidstaak is mensen in staat stellen in de samenleving mee te kunnen doen. Dit normatieve kader kan een overheid niet laten liggen bij selectie van marktpartijen. De overheid is daarom gelegitimeerd maatschappelijke eisen te stellen bij selectie van marktpartijen. Sterker; als een overheid slechts selecteert op basis van ‘laagste prijs’ schiet ze in haar verantwoordelijkheid te kort.

Geen haalbare zaak

Sceptici zijn tegen verplichte inzet van vijf procent kansarmen. Met name in de bouw acht men het geen haalbare zaak. Als gevolg van de crisis is het ‘alle hens aan dek’ om eigen mensen aan het werk te houden. Een begrijpelijk verweer. Maar het gaat voorbij aan waar het in de kern om gaat: de legitimiteit van de overheid om voorwaarden van maatschappelijk belang – waaronder een poging mensen met afstand tot werk te betrekken bij de samenleving – te verbinden aan overheidsopdrachten. Vanuit dat uitgangspunt wil ik wel dat dit op de meest effectieve manier gebeurt en met respect voor de spelregels van de markt.

Om marktpartijen te prikkelen te doen wat ze vanuit louter marktbelang niet zouden (kunnen) doen zijn boetes weinig effectief; sterker ze frustreren een gemotiveerde inzet. Meer zie ik in beloning van bedrijven die doen wat vanuit maatschappelijk belang gewenst is. Dit nog afgezien van het evidente belang voor bedrijven zelf om zich in te spannen toekomstige vaklui op te leiden, maar waarbij freeridersgoede bedoelingen afstraffen. Om duidelijk te maken hoe dit kan gebruik ik het voorbeeld van de CO2- prestatieladder van ProRail. Dit instrument is ontwikkeld om bedrijven die deelnemen aan aanbestedingen uit te dagen hun eigen CO2 -productie te kennen en te verminderen. Bedrijven moeten, om hun prestaties betrouwbaar in beeld te krijgen, zich laten certificeren. Analoog hieraan zouden we ook prestaties op het gebied van social returnkunnen meten en waarderen. Vooral niet op projectniveau, maar op bedrijfs- of concernniveau. Zeg maar de SR-prestatieladder.

Belangrijk daarbij is dat het bedrijfsleven wordt uitgedaagd samen te werken met overheid, onderwijs- en kenniscentra en er structureel aandacht kan worden besteed aan soft skills(werknemersvaardigheden). Terecht wijst het rapport ‘Kwaliteitssprong Zuid’ van voormalig minister Wim Deetman en oud-burgemeester Jan Mans hierop. Alle betrokken partijen moeten worden uitgedaagd hier gezamenlijk in te investeren.

Als gevolg van de inzet van ProRail kunnen bedrijven investeren in CO2reductiebeleid en zich positioneren ten opzichte van concurrenten. Zo kan het ook met een maatschappelijk gewenste inzet van bedrijven. Als alleen maar geselecteerd wordt op basis van ‘laagste prijs’ is dat onmogelijk. Bij bedrijven die via de door mij geschetste route investeren om social return te incorporeren in hun bedrijfsvoering wordt ‘SR-beleid’ een vast onderdeel van HRM-beleid; meetbaar, transparant en doeltreffend.

Toepasbaar

Maak – analoog aan de CO2-prestatieladder – treden in het prestatieniveau, zodat het niet een ‘alles of niets’ systeem wordt (zoals bij boetes), en het toepasbaar is door grote bouwbedrijven en voor grote projecten. Het moet ook toegankelijk zijn en impulsen bieden voor het mkb en bij de wat kleinere projecten. Elke inspanning moet er toe doen; bereikt je inzet instroom van 2 procent werklozen, dan wordt dat onmiddellijk beloond bij tenders. Liggen de prestaties hoger, dan zie je dat terug bij je kansen werk te verwerven. Belonen in plaats van bestraffen. Zo geef je koplopers een duwtje in de rug, achterblijvers stimuleer je een tandje bij te zetten.

Daarom geen verzet tegen de (politieke) inzet om werklozen bij het arbeidsproces te betrekken, maar maak creatieve inzet van bedrijven mogelijk middels een SR-prestatieladder. Dit met het oog op een samenleving waarin iedereen mee kan doen.

Lid staf Volker Wessels, verantwoordelijk voor public affairs

De bijdrage is geschreven op persoonlijke titel.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels