artikel

juridisch Gemeente weigert vergunning

bouwbreed

In december 2010 deed de Rechtbank Zutphen (8 december 2010, LJN BO6566) uitspraak in een zaak tussen een opdrachtgever en een aannemer, waarin de opdrachtgever geen vergunning had gekregen voor de aanleg van een inrit naar zijn kelder, die daardoor niet als garage te gebruiken is.

Opdrachtgever en aannemer hebben in eerste instantie een mondelinge aannemingsovereenkomst gesloten voor het realiseren van een tuinhuis. Partijen komen overeen dat de aannemer werkzaamheden zal verrichten ten behoeve van het aanvragen van de benodigde vergunningen. Nadat de gemeente een bouwvergunning heeft verleend voor het tuinhuis besluit de opdrachtgever dat hij het tuinhuis wil laten onderkelderen. Na aanvraag wordt een vergunning voor de kelder met inpandige keldertrap afgegeven. Als bouw- en woningtoezicht de bouwplaats bezoekt, wordt echter geconstateerd dat er in afwijking van het bouwplan een vaste toegang tot de kelder is en dat er werkzaamheden worden verricht ten behoeve van een hellingbaan, die in een ‘bos met natuurlijke waarde’ zal komen te liggen. Vervolgens vraagt de opdrachtgever een vergunning voor de inrit aan, die de gemeente echter weigert te verlenen. De opdrachtgever schort uiteindelijk de betaling van enkele facturen aan de aannemer op, omdat deze volgens de opdrachtgever toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen om een kelder te bouwen die als parkeerkelder is te gebruiken en voor de juiste vergunningen te zorgen. Uit het enkele feit dat geen vergunning is verleend volgt geen toerekenbare tekortkoming van de aannemer. De verlening van deze vergunningen is immers afhankelijk van de eigenschappen van het perceel van de opdrachtgever, zoals opgenomen in het bestemmingsplan. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de aannemer had moeten waarschuwen dat het aanvragen van een aanlegvergunning voor een inrit op bezwaren van de gemeente zou stuiten. Van belang is het moment waarop het plan ontstond om de kelder als garage te gaan gebruiken. Uit de door de opdrachtgever ondertekende aanvraag van de vergunning voor de kelder en de tekeningen van de aannemer blijkt dat pas nà verlening van de vergunning voor de kelder is gevraagd om deze geschikt te maken voor gebruik als garage. Ten tijde van de aanvraag van de vergunning had de aannemer de opdrachtgever dus niet hoeven waarschuwen.

De rechtbank veroordeelt daarom de opdrachtgever tot betaling van de openstaande facturen.

Juridisch stafmedewerker Instituut voor Bouwrecht, Den Haag

www.ibr.nl

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels