artikel

Vermijd clichés in architectuur

bouwbreed

Gaat architectuur over mooi of lelijk of over ‘probleemoplossend vermogen’? De wereld van de consument en van de architectuurelite spreekt in twee verschillende talen. Volgens Jan den Boer ligt daaronder echter een gezamenlijk belang: geen clichés maar kwaliteit.

Oppervlakkig gezien lijkt de nieuwe tweedeling in de bouw te gaan tussen elite en populisme. Het populisme gaat voor het snelle succes van de jaren 30 en notariswoningen, de elite spreekt over ‘goede’ architectuur. De populaire media schrijven over mooi en lelijk, over gevels en uiterlijk. Wat vindt ‘de deskundige’?

Janny Rodermond is directeur van het Stimuleringsfonds voor de Architectuur (SfA). Zij zegt: “Ik ben meer geïnteresseerd in wat architectuur doet dan hoe het eruit ziet. Wij voeren eigenlijk intern geen stijldiscussies. Deze vragen zijn mij in een interview ook nog nooit eerder gesteld.”

Ole Bouman, directeur van het directeur van het Nederlands architectuurinstituut (NAi) is ook niet echt geïnteresseerd in de vraag hoe gebouwen eruit zien. Hij wil die vraag zoveel mogelijk uitstellen, eerst zoeken naar goede oplossingen voor ruimtegebruik en al die andere aspecten van de architectuur en daaruit ontstaat vervolgens ook het beeld.

Diepgeworteld

Het afschaffen of uitstellen van de discussie over schoonheid is diepgeworteld in de vakgemeenschap. De architect Lodewijk Baljon stelt dat veel vakgenoten zich ongemakkelijk voelen bij het woord schoonheid. Zij zien architectuur en stedenbouw als een zakelijke discipline, althans zo houden zij zich staande in het planproces.

In deze tijden van crisis kun je je als deskundige echter niet meer helemaal losmaken van discussies die leven in de samenleving. Ole Bouman ziet hoe betrokkenen elkaar in de discussie naar het leven staan, als een soort sektarische strijd. Hij zegt: “Buitenstaanders begrijpen dat niet, in tijden van relatieve voorspoed kan je het misschien nog hebben over vorm, maar in deze economisch mindere tijden moet je geen tijd stoppen in dit soort vetes.”

Hoe zijn die vetes ontstaan? Bouman: “Dat komt vanwege de altijd aanwezige middelmatigheid, waardoor mensen het zichzelf makkelijk maken door anderen buiten te deur te houden. School- vorming is eigenlijk het beschermen van je eigen beperkingen. De schoolvorming zie je in Nederland bijvoorbeeld bij de cultuur van de hoogleraren. Dat is niet goed voor volwassen onderzoek. Er is te weinig georganiseerde nieuwsgierigheid in het architectuuronderwijs. Studenten worden soms in strakke paradigma’s gekneed en er is een cultuur van elkaar bevestigen. Dat is niet goed voor vernieuwing.”

Volgens Bouman kiest het NAi zelf geen positie in deze discussie. Bouman wil die discussie over stijl en gevels niet voeren, maar zich concentreren op het “probleemoplossend vermogen van architectuur.” Wel kan hij zich voorstellen dat het tijd is voor een wisseling van de wacht en meer democratie in de architectuur. Dan zijn vele talen en verhalen mogelijk, maar geen versimpeling in twee stijlen – traditionalisme en modernisme.

Hoe kan een vertaling gemaakt worden tussen de deskundigen die niet over vorm, gevels en schoonheid willen spreken en de consumenten en media die wel op die manier kijken? Ole Bouman heeft wel een interessante analyse van wat er mis gaat bij de vormgeving. Het probleem is niet de keuze tussen verschillende stijlen, maar het vormgeven daarvan. Veel betrokkenen in de Nederlandse architectuur zijn veel te gemakzuchtig. Veel vormgeving vervalt tot simpele clichés, zowel modernistisch als traditionalistisch. Dat komt volgens Bouman door een interessant spanningsveld tussen inspiratie en herhaling. De vraag naar gebouwen is een tijd zo groot geweest dat het alleen artistiek opvatten van de opgave tot grote oppervlakkigheid heeft geleid. Bouman: “Kunstenaarschap voor de bulk van de productie leidt tot rampen.” Ook Janny Rodermond waarschuwt voor de gemakzucht. Rodermond: “Het publiek voelt haarfijn het verschil tussen gebouwen die met aandacht ontworpen en gemaakt zijn en onverschillige productie waarin uitsluitend gestuurd is op kwantiteit.”

Vernieuwend en creatief

Zolang je een klein aantal opdrachten hebt kun je vernieuwend en creatief zijn, op het moment dat de opdrachten toenemen zie je bij veel ontwerpers herhaling optreden, of dat de herhaling uitgewerkt wordt door assistenten van het bureau. Het risico is dat een creatieve visie dan tot een cliché wordt, en dat kan zowel Rob Krier als Rem Koolhaas overkomen. De kunst is volgens Bouman om de herhaling zo te organiseren dat het geen clichés worden.

Dat is het punt waar de verschillende werelden elkaar kunnen vinden: of je het nu over mooi, lelijk, uiterlijk en gevels hebt, of het “probleemoplossend vermogen van architectuur”, het onderliggende belang is hetzelfde: kwaliteit die niet vervalt in gemakzucht.

Stedenbouwkundige en filosoof

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels