artikel

Positie bedrijfsarts kan beter

bouwbreed

De overheid roept sociale partners op afspraken te maken over de positie van de bedrijfsarts. De bouwnijverheid kan als voorbeeld dienen voor andere sectoren. Maar ook in de bouw kan de toegevoegde waarde van de bedrijfsarts worden vergroot, vindt Jan Warning.

Je kan het niet snel goed doen als bedrijfsarts. De zieke werknemer op het spreekuur wil niet het achterste van zijn tong laten zien (in figuurlijke zin). De werkgever vindt dat de verzuimbegeleiding veel te voorzichtig gebeurt. Bij een uitvoerige terugkoppeling aan de werkgever dreigt hij zijn beroepsgeheim te schenden. En als de bedrijfsarts een werknemer naar de reguliere zorg doorverwijst, sputtert de ziektekostenverzekeraar tegen.

Er zijn meer specialismen waar artsen het moeilijk hebben, maar de bedrijfsgezondheidszorg zit wel in een heel lastig parket. Uit onderzoek in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid blijkt dat bedrijfsartsen zich soms zo onder druk gezet voelen dat zij hun beroepsgeheim niet geheel kunnen handhaven. De bedrijfsarts wordt verder nauwelijks op de werkvloer gezien, signaleert onvoldoende beroepsziekten en staat geïsoleerd ten opzichte van de overige medische zorg. Deze bevindingen zijn aanleiding voor het ministerie om nader te kijken hoe de positie van de bedrijfsarts kan worden verbeterd.

De zorgen over de positie van de bedrijfsarts staan niet op zich. In vergelijking met andere landen is er in Nederland weinig kennis over beroepsziekten. Dit heeft te maken met ons stelsel van sociale zekerheid, waardoor het relatief onbelangrijk is om te weten of iemand ziek is geworden door het werk of door andere omstandigheden. Door onvoldoende kennis over beroepsgebonden aandoeningen kunnen we risico’s minder in de kiem smoren en patiënten met klachten soms niet de goede hulp bieden.

Als we het huidige stelsel overzien kan een onbevooroordeelde toeschouwer zich niet aan de indruk onttrekken dat er ergens een weeffout is gemaakt. Zoals overal klinkt ook in de bedrijfsgezondheidszorg het adagium ‘wie betaalt bepaalt’. De arbodienst dient een rekening in bij de werkgever. Als een zieke werknemer vervolgens van de dokter hoort dat hij nog best bepaalde werkzaamheden kan verrichten, is het niet vreemd dat de werknemer denkt dat de arts een spreekbuis van de baas is geworden.

In de bouwnijverheid is al jaren geleden een oplossing voor het probleem van de financiering gevonden. De kosten voor de uitvoering van het preventiepakket (pago, arbospreekuur, intredekeu-ring) worden bekostigd via de O&O-gelden. Dit zorgt voor een neutrale positie van de bedrijfsarts. De werkgever kiest wel de uitvoerende arbodienst, maar zolang dit gebeurt in samenspraak met de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging gaat dit niet ten koste van de neutraliteit. Bovendien stuurt Arbouw namens sociale partners de uitvoering aan. Daardoor zijn de bedrijfsartsen goed op de hoogte van specifieke risico’s en worden beroepsziekten tijdig en correct gesignaleerd.

De verzuimbegeleiding wordt in de bouwnijverheid, net als elders in Nederland, wel door bedrijven gefinancierd. Er zijn door de vakbeweging in het verleden plannen geopperd om deze activiteit maar via de basisverzekering te bekostigen. Op zich is daar weinig mis mee, als maar wordt voorkomen dat elke werknemer zijn eigen bedrijfsarts kiest. Dan is de onafhankelijkheid van de bedrijfsarts juist weer in het geding omdat hij onder druk van de patiënt kan komen te staan. Voor een goede dienstverlening is het verder essentieel dat de bedrijfsarts zicht houdt op werkprocessen en mogelijke medische klachten van collega’s in hetzelfde bedrijf. De toegevoegde waarde van de bedrijfsarts ten opzichte van de huisarts is niet alleen de bijzondere expertise van de bedrijfsarts, maar ook dat hij of zij weet in welke bedrijfssituatie de werknemer werkzaam is.

Effectieve bijdrage

Over de rol van de arbodienst bij het terugdringen van het ziekteverzuim zijn de meningen in de bouwnijverheid verdeeld. Uit recent onderzoek in opdracht van Arbouw blijkt dat slechts iets meer dan de helft van de bedrijven meent dat de arbodienst een effectieve bijdrage levert. Grote en kleine bedrijven verschillen weinig in hun oordeel. Gemiddeld geeft men een 6,6 voor deze activiteiten. Naast de kwestie wie de activiteiten financiert valt er ook in de bouwnijverheid dus nog wel wat te verbeteren aan het functioneren van de bedrijfsarts en arbodienst. We leven in een tijd dat iedereen meent verstand te hebben van ziekten en gezondheid. De kunst voor de bedrijfsarts is om zijn vak tot zekere hoogte opnieuw uit te vinden. Het gaat niet alleen meer om het vellen van een oordeel over werkzaamheden en aandoeningen, maar vooral ook om over dit oordeel te communiceren met belanghebbenden. Daarbij is het essentieel dat de bedrijfsarts de praktijk goed kent. In onze bedrijfstak met een pakket preventiezorg en uitgebreide beschikbare informatievoorziening mogen we ook aan de bedrijfsarts hoge eisen stellen!

Directeur Arbouw

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels