artikel

Ontbinding en opzegging

bouwbreed Premium

Verbintenissen uit overeenkomsten komen op diverse manieren aan hun einde. Het werk kan voltooid zijn, of partijen kunnen voorafgaande aan de oplevering afscheid van elkaar willen nemen. Mogelijk kwalificeren partijen het afscheid niet op gelijke wijze. Dat speelt in de uitspraak RvA van 31 mei 2010, nr. 30.753, waar opdrachtgever (aannemer) wil ontbinden en onderaannemer stelt dat hij de overeenkomst heeft opgezegd.

Het betreft werkzaamheden die dieper moeten worden uitgevoerd dan bij
opdrachtverlening verondersteld. De aanleg van een bron in de eerste
watervoerende laag blijkt niet vergunbaar. De onderaannemer brengt een offerte
uit voor de meerkosten. De aannemer betwist dat sprake is van meerwerk. Na enig
heen en weer gepraat ontbindt de aannemer de overeenkomst en vordert
schadevergoeding. De onderaannemer stelt dat sprake is van opzegging en vordert
afrekening overeenkomstig het bepaalde in art. 7:764 lid 2 BW. Wat is het
verschil tussen ontbinding en opzegging? Ontbinding is het beëindigen van de
overeenkomst, omdat sprake is van een tekortkoming. Opzeggen is beëindigen van
de overeenkomst om welke reden dan ook. De wet kent aan de opdrachtgever in art.
7:764 BW het recht toe te allen tijde de overeenkomst op te zeggen. Het
rechtsgevolg van opzegging wordt in lid 2 art. 7:764 BW beschreven: de
opzeggende opdrachtgever moet de prijs voor het gehele werk betalen minus de
besparingen die optreden door de opzegging en tegen aflevering door de aannemer
van het reeds voltooide werk. In dit scenario is opdrachtgever verplicht de
winst van de aannemer te vergoeden. Het gevolg van ontbinding is omschreven in
art. 6:271 BW: partij-en zijn bevrijd van de verbintenissen uit de overeenkomst,
maar als deze al zijn nagekomen, ontstaat voor hen een
ongedaanmakingsverbintenis van de reeds ontvangen prestaties. Is de prestatie
niet ongedaan te maken, dan lost deze plicht zich op in waardevergoeding.
Beantwoordt de prestatie niet aan de verbintenis, dan wordt de vergoeding
beperkt tot het bedrag van de waarde die deze had op het moment van de
prestatie. Deze vordering gaat vaak gepaard met een schadevergoeding ten behoeve
van de ontbindende partij. De voorvraag ‘is er sprake van een verwijt aan de
wederpartij van de beëindigende partij’, is dan ook van groot belang voor de
financiële gevolgen van de beëindiging. In casu ging het erom voor wiens risico
de omstandigheid komt dat de aanleg van de bron in de eerste watervoerende laag
niet vergunbaar bleek. Arbiters gaan mee met de onderaannemer en oordelen dat
geen sprake is van een risico voor zijn rekening. Niet kan worden gesteld dat de
onderaannemer op grond van bij hem redelijkerwijs te verwachten kennis van
gewijzigde regelgeving – nieuw grondwaterplan van de provincie – kon weten dat
het aanvragen van een vergunning voor een bron in het eerste watervoerende
pakket bij voorbaat kansloos was. Er is sprake van opzegging en de aannemer
wordt veroordeeld de gevolgen conform lid 2 van art. 7:764 BW te dragen: in
plaats van de door hem gevorderde 116.630 euro moet hij 77.526 euro betalen én
rente en kosten van de procedure.

Prof. mr. dr. M.A.B. Chao-Duivis
Directeur Instituut voor Bouwrecht en hoogleraar bouwrecht TU Delft.

Voor meer bouwrechtelijke actualiteiten,
vakliteratuur en regelgeving, zie
ook: www.ibr.nl/actueel

Reageer op dit artikel