artikel

Wie zorgt voor de waterkering?

bouwbreed Premium

Waterschappen staan in de belangstelling van de politiek. Zij kunnen als bestuurlijke organisatie worden ondergebracht bij de provincies. Waterschappen zouden als vierde bestuurslaag extra bestuurlijke drukte veroorzaken. Een stelling die geen hout snijdt, meent Frans Sluijter.

De waterschappen behartigen de zorg voor de waterzuivering die voor het
ondiepe grondwater en die voor het watersysteem, terwijl Rijkswaterstaat de zorg
heeft voor de primaire waterkeringen. Daar was Rijkswaterstaat in het verleden
goed voor toegerust met een korps van ingenieurs. Aanduidingen van functies
binnen Rijkswaterstaat herinneren daar nog aan. Nu tref je juristen aan als
hoofdingenieur- directeur. Zo gezien is het niet verbazingwekkend dat de regie
van onderhoud aan waterkeringen steeds meer wordt toevertrouwd aan
waterschappen. Die beschikken wel over mensen om zulke werken deskundig te laten
uitvoeren. Waterschappen zijn nu eenmaal gefocust op hun watertaak. Voor de
middelen om die taak uit te voeren hebben zij de bevoegdheid belastingen te
heffen. Maar geen belastingheffing zonder vertegenwoordiging. Vandaar de gekozen
besturen.

Ondubbelzinnigheid

Groot voordeel van de organisatie van de veiligheid tegen overstromingen en
het verdere beheer van het zoete water door waterschappen is de
ondubbelzinnigheid van de taakstelling. Waterschappen hebben maar te zorgen voor
goede waterkwaliteit en hechte waterkeringen. Voor bewoners van een delta lijkt
dat vanzelfsprekend, zeker in het licht van het feit dat sinds 1953 hier niemand
meer is verdronken als gevolg van een overstroming. En als een oorzaak van de
ramp van 1953 kan zeker worden aangemerkt dat de toenmalige politici de
waarschuwingen van Rijkswaterstaat in de wind hebben geslagen, zodat de primaire
dijken niet tegen hun taak bleken opgewassen. Gelukkig was Rijkswaterstaat toen
nog bemand met bekwame ingenieurs die in staat waren op te treden als de
architecten van het Deltaplan. Nu zou men voor die taak afhankelijk zijn van
ingenieursbureaus. Voor het afsluiten van de contracten zal nu wel voldoende
juridische kennis in huis zijn. Het lijkt daarom niet dwaas om de uitvoerende
taken op het gebied van waterkeringen dan maar integraal over te brengen naar de
waterschappen. Door hun door de jaren gegroeide opschaling zijn die daar dan de
meest aangewezenen voor. Een verdere opschaling of samenwerking verbetert dat
nog verder. Onderbrenging bij de provincies lijkt een voordeel, maar is het
niet. In de eerste plaats verworden de dan herleefde provinciale waterstaten tot
ambtelijke diensten, die voor hun budget afhankelijk zijn van de afwegingen die
de Provinciale Staten in hun wijsheid maken van waterstaatzaken tegenover alle
andere provinciale zorgen. Niets garandeert dat de provinciale waterstaten dan
niet dezelfde weg gaan als Rijkswaterstaat. Als echter erkend wordt dat de
waterbelangen een primaire zorg zijn voor de bewoners van een delta, dan is er
alle reden om nog eens buitengewoon goed na te denken of het niet veel wijzer is
die zaken toe te vertrouwen aan een daarop gerichte organisatie met een directe
democratische verbinding naar degenen die het aangaat. Als we de waterschappen
niet hadden, zouden we die nu moeten uitvinden. In het buitenland is men daar
mee bezig. Een ander bezwaar dat tegen de huidige situatie wordt ingebracht, is
de stelling dat waterschappen als vierde bestuurslaag extra bestuurlijke drukte
veroorzaken. Deze stelling snijdt geen hout. De bestuurlijke organisatie is met
één fulltime bestuurder uiterst licht. Het apparaat bestaat hoofdzakelijk uit
uitvoerenden. Waterschappen onderscheiden zich op dit punt zeer gunstig van
andere lichamen van openbaar bestuur. Een vierde bestuurslaag is het allerminst.
Resumerend rijzen de volgende vragen: • Is Rijkswaterstaat nog wel in staat
adequaat de zorg voor de primaire waterkeringen op zich te nemen?• Zijn de
waterschappen ieder voor zich of in samenwerkingsverbanden in staat die zorg op
zich te nemen en kan dat zonder uitbreiding van het huidige uitvoerende
apparaat? • Als het antwoord op de vorige vraag bevestigend is, is dan de
positie van de waterschappen als democratisch gestoelde functionele organisatie
niet essentiëel voor de uitoefening van zijn taken?

Prof. dr. ir. Frans W. Sluijter De auteur was hoogleraar aan de TU Eindhoven
en is lid van het algemeen bestuur van Waterschap de Dommel

Reageer op dit artikel