artikel

Risico van klap van de (wind)molen

bouwbreed Premium

Mijntje Pikaar en Lodewijk Meijlink vragen zich af of externe veiligheidsnormen voor windturbines niet verankerd moeten worden in wetgeving. Het incident van 27 mei, waarbij een blad van een windturbine door breuk op de A6 terechtkwam, maakt immers duidelijk dat aan windturbines externe risico’s zijn verbonden. Nu zijn er slechts richtlijnen.

Bij externe veiligheid gaat het om de vraag of het risico voor mensen die
zich in de omgeving van een windturbine bevinden onaanvaardbaar groot is. De
veiligheidsrisico’s betreffen met name rotorbladbreuk, ijsafwerping of het
(om)vallen van de mast en/of gondel. Er zijn diverse toetsingscriteria in
gebruik. Zo hanteren Rijkswaterstaat en de NS toetsingscriteria als het
Individueel Passanten Risico (IPR) voor de individuele beleving en het
Maatschappelijk Risico (MR; het aantal verwachte doden per jaar) voor de
maatschappelijke beleving. Gangbaar in de externe veiligheid is het berekenen
van het Plaatsgebonden Risico (PR) en het GroepsRisico (GR). Het PR is de kans
per jaar dat iemand komt te overlijden op een bepaalde locatie. Het GR bevat
meer de maatschappelijke impact van een ongeval als er tien of meer slachtoffers
vallen. In geval van windturbines zijn de grote slachtofferaantallen bij een
incident vrijwel uitgesloten en is het GR minder van belang.

Risico’s

Windturbines vallen onder het Besluit algemene regels voor inrichtingen
milieubeheer (Activiteitenbesluit) dat stelt dat de gevaarsaspecten zoveel
mogelijk moeten worden beheerst. Betreft het de beheersing van risico’s voor de
omgeving dan is een risicoanalyse een beproefde methode om aan te tonen dat de
risico’s zijn beheerst binnen de gestelde normen. Vaak wordt nu de
berekeningsmethodiek uit het ‘Handboek risicozonering windturbines’ gehanteerd
om het plaatsgebonden risico te berekenen. Dit handboek is opgesteld door ECN in
opdracht van SenterNovem met bijdragen en onder begeleiding van ministeries
VROM, EZ en V&W (Rijkswaterstaat) en instanties als ProRail en Gasunie voor
optimale draagkracht. In welke gevallen het belangrijk is het veiligheidsrisico
te berekenen hangt af van de locatie van de windturbines of het windpark. Bij
windturbines aan de rand van een industrieterrein kan juist het PR een relevante
toetsnorm zijn, in tegenstelling tot locaties langs wegen en spoor. Immers, de
windturbines brengen een extra risico met zich mee voor het falen van
bijvoorbeeld een opslagtank met gevaarlijke stoffen. Oftewel, een domino-effect
kan ontstaan waarbij de risico’s voor de omgeving door de aanwezigheid van de
windturbine(s) worden vergroot.

Toetsing

Voor het toetsen van de externe risico’s kan aansluiting worden gezocht bij
het externe veiligheidsbeleid voor inrichtingen en transportactiviteiten.
Afhankelijk van de locatie van de windturbine(s) kan dan worden getoetst aan het
PR en domino-effecten of aan het IPR en MR. Vaste veiligheidsafstanden gebaseerd
op de eigenschappen van de windturbine, zoals vermogen, masthoogte en
bladlengte, voor het PR en IPR kunnen worden bepaald. Het MR en eventuele
domino-effecten zijn locatiespecifiek en kunnen separaat worden beschouwd. Door
de opmars en politieke doelstellingen inzake windturbine(s) in Nederland en de
inpassing in de ruimtelijke ordening wordt de roep om een extern
veiligheidsbeleid voor windturbines steeds groter. Aansluiting kan worden
gezocht bij de wet- en regelgeving voor bedrijven en transportactiviteiten.

ONRI Expertnetwerk Veiligheid
Ir. A.J. Pikaar
Peutz BV
Ir. L. Meijlink
DHV

Reageer op dit artikel