Fabriekswoning wint terrein: ruim een op de vijf nieuwe huizen is prefab

Fabriekswoning wint terrein: ruim een op de vijf nieuwe huizen is prefab
Wonen bij Jaap in Nijkerk. Foto: Barli

Steeds meer woningen worden in de fabriek geprefabriceerd. Vorig jaar groeide het aantal prefabwoningen met 8 procent naar 14.700. Daiwa, Plegt-Vos, Barli, Van Wijnen en Ursem zijn de grootste producenten.

Dat blijkt uit onderzoek van adviesbureau Roland Berger aan de hand van de eigen opgave van 43 woningproducenten. Door de groei hebben fabriekswoningen nu een marktaandeel van 21 procent.

De producenten verwachten dat ze dit jaar 10 procent meer woningen zullen maken. Als de groei zich doorzet, verwachten de onderzoekers dat in 2030 30 tot 40 procent van de nieuwbouwwoningen (deels) uit de fabriek komt. Daarmee wordt nog niet het doel gehaald van het Rijk om in 2030 de helft van de nieuwbouw industrieel te maken. 

Dat de productie achterblijft bij de doelstelling is ook te zien in de beperkte bezetting van de fabrieken. Gemiddeld wordt 45 procent van de productiecapaciteit benut. 

Appartementen

Ondanks dat de fabrieken onderbezet zijn, zeggen de producenten dat hun woningen in 73 procent van de gevallen goedkoper zijn dan vergelijkbare traditionele bouw. 18 procent zegt even duur te zijn en 8 procent is duurder. 

Opvallend is verder dat de makers zich steeds meer bekwamen in appartementen. Vorig jaar was twee derde van de geproduceerde woningen een appartement. Het jaar ervoor lag dat aandeel nog op 61 procent. 

Ondanks de gestegen productie is de woningfabriek nog niet volledig omarmd door woningbouwers. Een beperkte groep waagt zich vooralsnog aan de productie van fabriekswoningen, blijkt uit de studie. De twintig grootste producenten namen in 2025 83 procent van de prefabwoningen voor hun rekening. De vijf grootste producenten zijn: Daiwa, Plegt-Vos, Barli, Van Wijnen (Fijn Wonen) en Ursem (Heddes). Hoeveel woningen zij hebben gemaakt, zegt het onderzoek niet.

Biobased

Dat de markt voor fabriekswoningen volwassener wordt, blijkt uit het feit dat het grootste deel (64 procent) wordt opgeleverd met een permanente bouwvergunning. Woningcorporaties zijn met een aandeel van 54 procent nog steeds de grootste afnemer, maar het aandeel ontwikkelaars en andere afnemers groeit snel.

Dat geldt ook voor het gebruik van biobased materialen. De producenten zeggen dat 30 procent van de woningen met biobased onderdelen is gebouwd. Met hun plannen zou in 2030 70 procent van de woningen uit biobased materialen moeten bestaan.

De bewoners van fabriekswoningen weten de huizen ook te waarderen. Ruim 80 procent is (zeer) tevreden over de woning, bleek in januari uit het onderzoek van Platform 31 en het expertisecentrum Flexwonen in opdracht van het ministerie van VRO. Dat is vergelijkbaar met de tevredenheid van bewoners van traditioneel gebouwde woningen. Gemiddeld geven ze hun woonsituatie een rapportcijfer 7,4.

Bewoners noemen als pluspunten het woonoppervlak, de lage energielasten en de aantrekkelijke uitstraling. Zij hebben meestal niet door dat hun woning niet op traditionele wijze gebouwd is.

Modules

Het onderzoek van Roland Berger is een voortzetting van wat bouwexpert en lid van de Gideonsbende Marjet Rutten jarenlang deed. De onderzoekers verstaan onder prefabwoningen woningen die grotendeels industrieel en seriematig in een fabriek worden geproduceerd, in vooraf samengestelde onderdelen of modules, en vervolgens op de bouwplaats in korte tijd worden gemonteerd. 

Lees meer:

Mijn artikeloverzicht kan alleen gebruikt worden als je bent ingelogd.