Ons dorp heeft - op de rand van 2008 - een nieuw treinstation gekregen. Het oude ligt er nog wel, maar is nu in ruste. De ingang naar de voormalige toegangstunnel is dicht getimmerd, de lichten zijn gedoofd. Het nieuwe station ligt circa 400 meter verderop en is daarmee beter bereikbaar vanuit de naastgelegen nieuwbouwwijk. Het was nog een hele toer om het station op tijd gereed te krijgen, maar in december verscheen minister Eurlings toch voor de openingshandeling. Ik was nogal kritisch over de haalbaarheid van de planning, vooral omdat ik had verwacht dat er een station gebouwd zou moeten worden. Maar ik heb een ouderwets beeld van een station, zo blijkt. Bij het woord 'station' denk ik nog steeds aan een gebouw, waar reizigers arriveren, op hun trein wachten, waar geliefden afscheid nemen, waar dus sprake is van reizen én verblijven, in de brede zin van het woord. Daar hoort een fatsoenlijk omhulsel bij, naar mijn mening een gebouw. Het nieuwe station is dat echter niet. Het vorige was dat ook al niet echt meer, maar nu is ons station toch echt getransformeerd tot een halteplaats, niet meer dan dat. Het dak is een afdak geworden en je kijkt dwars door het station heen, want muren kent het ook niet meer. Circa 25 jaar geleden had ons station nog een loket, waar je op rustige dagen de aandacht moest trekken van de jufrouw die de kaartjes verkocht omdat ze achterin het kantoortje verdiept was in haar kruiswoordpuzzel. Dat was inmiddels wel vervangen door een Whizzle (of Sizzle of zoiets) waar in ieder geval nog een levend persoon achter de balie stond. Het nieuwe station kent alleen automaten, voor je kaartje en je versnaperingen.