nieuws

‘Laten we zorgvuldig omgaan met onze bloemkoolwijken’

woningbouw

Worden woonerfwijken de achterbuurten van de toekomst? Zeker is dat de in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw gebouwde buurten een slechte reputatie opbouwen. De architecten Willemijn Lofvers en Nynke Jutten benadrukken de positieve kanten van dit type buurt.

Woonerfwijken krijgen ten onrechte een slechte naam, betogen de architecten Willemijn Lofvers en Nynke Jutten. Ze pleiten voor een nieuwe kijk op dit type buurten die in het laatste kwart van de vorige eeuw verrezen in uiteenlopende plaatsen.

Iedere bewoner zijn eigen tuintje. En elk tuintje zijn eigen schutting. Alsof een bouwmarkt zijn assortiment houten scheidingswandjes in de openlucht heeft uitgestald. Het is het eerste wat de bezoeker opvalt aan straatjes zoals de Saffraandonk in Spijkenisse, nabij metrostation De Akkers.

Dat wil zeggen, voor wie nog niet eerder in een woonerfwijk ronddwaalde. Ervaren woonerfwijkonderzoekers zoals Lofvers en Jutten kijken al lang niet meer op van de verscheidenheid aan tuinen en schuttingen. Samen met de stadsocioloog Ivan Nio doen zij onderzoek naar dit type woonbuurt, dat ook wel met de weinig vleiende benaming bloemkoolwijk wordt aangeduid.

Het gaat om een soort wijken dat tussen 1970 en 1985 furore maakte. In die jaren verrezen in uiteenlopende gemeenten waaronder Utrecht, Zoetermeer en Spijkenisse, zo’n 1,6 miljoen huizen in dit type woonbuurt. Het gros van die bouwgolf staat er nog en is in bezit van particulieren of corporaties.

Oriënteren

De wijken danken hun bijnaam aan hun structuur die is te vergelijken met die van een bloemkool. “Dood- of rondlopende straten en woonerven zijn aangetakt op een beperkt aantal kronkelige hoofdwegen”, schrijven Lofvers, Jutten en Nio in de Studie Woonerven Lunetten. Ze maakten die in opdracht van architectuurcentrum Aorta en Stichting Experimenten Volkshuisvesting. “Het is voor bezoekers lastig om zich te oriënteren en er de weg te vinden. De hoofdstructuur raakt vaak min of meer toevallig de afzonderlijke buurten, waardoor sommige achterkanten van woningen aan de hoofdstructuur grenzen.” Daar komt bij dat het onderscheid tussen de private, collectieve en openbare ruimte niet altijd helder is. “En er is teveel betekenisloos snippergroen.”

Ondanks de kritiek is er ook veel positiefs over dit type wijk te zeggen, betogen Lofvers en Jutten, terwijl ze in de straatjes nabij metrohalte De Akkers in Spijkenisse hun ogen de kost geven. Ze wijzen op de grote verscheidenheid aan woningen, de nadrukkelijk vormgegeven overgangen tussen de huizen en de openbare ruimten en het vele groen.

Eentonigheid kan de wijk zeker niet worden verweten. Kronkelstraatjes met eengezinswoningen en tuintjes komen uit op pleintjes die op hun beurt toegang geven tot iets bredere straten met hogere huizen. Er zijn hofjes en hier en daar heeft een architect zich uitgeleefd in woningen die geïnspireerd lijken te zijn door Zwitserse chalets.

Op het punt waar de Saffraandonk en de Kummeldonk elkaar kruisen, wijzen Lofvers en Jutten op de verschillende woningtypen. Tegenover een rij eengezinswoningen van een corporatie staat een serie huizen die in particulier bezit zijn. Hebben de corporatiehuizen twee etages, de bewoners van de panden er tegenover hebben zelfs de beschikking over drie verdiepingen. “Veel vierkante meters dus voor relatief weinig geld”, zegt Jutten.

Enkele buurtbewoners die net van vakantie terugkomen, zijn minder te spreken over hun woonwijk. Het gebied verpaupert, constateren ze met onverholen ergernis. “We kwamen vandaag thuis en nu zien we dat er bij ons is ingebroken.”

En los daarvan zijn ze ook al niet echt te spreken over hun woonomgeving. Ze wijzen op een rijtje scheefgezakte schuttingen met uiteenlopende afmetingen die de tuinen naast hun woning afscheiden van de straat en constateren schouderophalend dat het er echt niet uitziet.

Lofvers en Jutten kunnen zich vinden in die constatering. Het beheer van de openbare ruimte laat te wensen over. Een probleem dat ook speelt in andere bloemkoolwijken zoals Lunetten in Utrecht. “Het gaat dan bijvoorbeeld ook om het niet bijhouden van een voortuin, het plaatsen van hoge schuttingen tussen de tuin en een hoofdstructuur of het kappen van bomen in een achtertuin”, constateren ze in hun studie Woonerven Lunetten.

Scheidingswandjes

Illustratief voor die situatie is een pleintje in Spijkenisse waar de achtertuinen van de openbare ruimte zijn afgescheiden door maar liefst negen verschillende typen scheidingswandjes. Het pleintje is bovendien voorzien van een groot aantal verschillende hekjes.

“In overleg met de bewoners zou je daar iets aan moeten doen”, zegt Lofvers. “Op een punt als dit zou het groen anders kunnen worden ingericht, meer afgestemd op de behoeften van de omwonenden. Terwijl er voor hetzelfde type schutting zou kunnen worden gekozen. De buurt zou er enorm van opknappen.”

Ze wijst er op dat naast het beheer van de openbare ruimte veel architectonische details in de woningen zijn weggehaald. “Zoals de overhoekse ramen in de bergingen en de terloopse doorzichten in de tuinmuren”, legt ze uit. “De subtiele overgangen tussen openbaar en privé die dit type wijken juist van origine kenmerken, is hierdoor verloren gegaan. Aandacht voor deze overgangzones is noodzakelijk in het beoordelen van woonerfwijken, ze zijn wezenlijk onderdeel van de logica en het functioneren ervan.”

Ook in andere bloemkoolwijken is vooral de buitenruimte het probleem, constateren de architecten. “De woningen zijn over het algemeen goed”, vindt Lofvers. “Hier en daar kan misschien wat aan het onderhoud worden gedaan, maar van grootschalige verpaupering is geen sprake. Bovendien vind je in dit soort wijken een diversiteit aan huizen die in Vinexwijken ver te zoeken is.”

Groenvoorzieningen

De tuinen en de openbare ruimten zouden echter in samenspraak met de wijkbewoners moeten worden aangepast. Daarbij pleiten ze er nadrukkelijk voor de kleine groenvoorzieningen te koesteren. Jutten: “Juist die zijn kenmerkend voor dit soort wijken en die moet je dus niet weghalen. Dan maak je het karakter van de buurt stuk.”

Wat niet wegneemt dat de bloemkoolwijken met vrij kleine ingrepen aantrekkelijk zijn te maken. Daarover zijn beide architecten het roerend met elkaar eens. “We zouden graag meer van dit soort wijken onder de loep willen nemen”, zegt Lofvers. “Een wandeling van een paar uur is goed om een globaal beeld te krijgen van een wijk. Wil je daarentegen problemen en mogelijke oplossingen daarvoor in kaart brengen, dan is nader onderzoek nodig. Daarvoor pleiten we dan ook want het zou zonde zijn als dit soort bijzondere wijken straks verloederen. Bovendien is dat nergens voor nodig. Kijk maar om je heen. De diversiteit aan woningen die Almere wil bereiken door zelfbouwers meer kansen te geven, is hier al bereikt dankzij het stedenbouwkundig plan. Laten we dan ook vooral zorgvuldig omgaan met de bloemkoolwijken.” ■

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels