artikel

Stroomversnelling kan succes worden

woningbouw

Stroomversnelling kan succes worden

In Cobouw van 31 oktober poneert Jan Willem van de Groep, programmamanager bij Platform 31, de stelling dat Hennes de Ridder en Hugo Priemus hun kritiek op de ‘Stroomversnelling’ stoelen op onjuiste aannames. Priemus herkent zich niet in de analyse van Van de Groep.

Mythe 1: Er wordt gewerkt aan één standaardconcept door vier bouwers zonder competitie.

Dat is niet mijn veronderstelling. Aan de stroomversnelling kan elk bedrijf meedoen.

Mythe 2: De kosten voor het concept zijn al vastgelegd, namelijk 60.000 euro.

Dat beweer ik niet. Wel is duidelijk dat de Stroomversnelling mikt op een hoog ambitieniveau en op een grote schaal. De initiatiefnemers zelf noemen een bedrag van gemiddeld €60.000 per woning waaraan wordt gedacht.

Mythe 3: Er wordt in de Stroomversnelling traditioneel gewerkt.

Die indruk wordt wel gewekt. De nadruk ligt sterk op industrialisatie en op besparing van energie, met name door een zeer hoge warmte-isolatie (“de theemuts over de woning”). Er wordt weinig gezegd over een transitie naar hernieuwbare energie, met name zonnepanelen.

Mythe 4+5: Deze aanpak is onbetaalbaar. En de huurders betalen.

Deze mythe wordt door de initiatiefnemers niet weggenomen. Volgens het NIBUD betaalt een huishouden in een flat gemiddeld 67 euro per maand aan gas. De huurders worden zonder renovatie al meerjarig geconfronteerd met exceptionele huurverhogingen. De woningcorporaties eisen een behoorlijk rendement op hun investeringen. De huurders worden met een ingrijpende extra huurverhoging geconfronteerd en moeten maar afwachten of de daling van energiekosten daar tegen opweegt. Majcen c.s. (2013) hebben aangetoond dat het feitelijk energiegebruik in woningen met een zeer gunstig energielabel veel hoger is dan tevoren is berekend.

Gewenste verbeteringen

De Stroomversnelling moet worden beschouwd als een innovatief leerproces, waarin ten opzichte van de aangekondigde opzet de volgende verbeteringen dienen te worden doorgevoerd:

• De financiële relatie tussen huurder en nutsbedrijf dient intact te blijven. De huurder moet geconfronteerd worden met de kosten van zijn woongedrag. Daar moet de corporatie niet tussenkomen, op straffe van te grote financiële risico’s;

• De aanpak moet veel meer rekening houden met het gedrag, respectievelijk de gezondheid van huurders;

• De kosteneffectiviteit van het ambitieniveau dient een belangrijke rol te spelen in de afweging van kosten en prestaties;

• Het accent moet veel meer worden gelegd op de transitie van fossiele naar hernieuwbare brandstoffen, met name de installatie van zonnepanelen;

• Kleinschaligheid van initiatieven dient meer centraal te worden geplaatst. Differentiatie is belangrijker dan uniformiteit en grote series. Bottom up activiteiten verdienen de voorkeur boven een top down aanpak.

Deze suggesties zijn uitgewerkt in mijn artikel ‘Naar Stroomversnelling 2.0’ dat een dezer dagen wordt gepubliceerd in het blad Renda. Als de aanpak van de Stroomversnelling wordt aangepast en gedifferentieerd, kan het programma een succes worden.

Hugo Priemus, TU Delft/Onderzoeksinstituut OTB

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels