artikel

Innoveren omdat het moet

woningbouw Premium

Innoveren omdat het moet

In de artikelenserie ‘De Bouw in 2030’ schetsen opinie-leiders hun visie op de toekomst van de sector. Vandaag deel 6: Martin van Pernis, voorzitter van Vernieuwing Bouw en oud-topman van Siemens Nederland. Hij hamert op klantgericht bouwen en innovatie. Dit zal de sector danig opschudden, maar komt uiteindelijk iedereen ten goede, is zijn rotsvaste overtuiging.

“De bouw heb ik altijd een fascinerende branche gevonden. In mijn 40 jaar bij Siemens ben ik de bouw vaak tegengekomen. Maar ik heb ook andere sectoren goed leren kennen; de automobielbranche, de medisch-technologische sector, de telecommunicatie, noem maar op. Daar heb ik heel veel innovaties gezien. De bouw blijft daar bij achter. Innovatieve componenten zijn er wel, maar slechts een fractie hiervan wordt toegepast.

In de bouw is die befaamde keten echt heel erg lang. Van de opdrachtgever via de architect naar de onderaannemer; daar zitten heel veel partijen tussen. Iedereen heeft zijn eigen zaakjes behoorlijk op orde, maar de samenwerking is verre van optimaal. En iedereen heeft ook muurtjes om zijn eigen winkel gebouwd. Die muurtjes, daar kunnen ze vaak net overheen kijken, maar dat is nog iets anders dan eroverheen stáppen om samen dingen te kunnen doen. Wat ook ontbreekt, is terugkoppeling. Als je met zoveel partijen in zo’n lang traject zit, zou je verwachten dat er zo nu en dan eens wordt teruggekeken. Dat de vraag wordt gesteld: is dit nu wel wat we twee stappen geleden hebben bedoeld? In andere sectoren zie je die terugkoppeling wel. Dat corrigeert niet alleen, maar versterkt ook het innovatief vermogen. Ik heb weleens tegen bouwondernemers gezegd: jullie moeten op bezoek gaan bij de autobranche. Qua complexiteit is het anders, maar je ziet dat de autoindustrie onder druk van de markt enorme stappen heeft gezet in samenwerkingsmodellen. Die wereld is totaal veranderd. Vroeger werd een auto vrijwel geheel in de eigen fabriek gemaakt. De leverancier van de stoelen, vaak een eigen afdeling, kreeg precies te horen welk type stoel hij moest maken, en deze stoelen werden in grote hoeveelheden opgeslagen in een magazijn bij de fabriek om niet-tijdige levering te voorkomen. Een moderne autoproducent doet nog geen 20 procent zelf. De toeleveranciers doen de rest. Zij leveren niet alleen, maar ontwerpen en ontwikkelen ook. De stoelenleverancier ontwerpt de stoel, maar zorgt er ook voor dat deze op het juiste moment wordt geleverd. En het moet wel goed zijn, want anders heeft de autofabrikant – en daarmee de toeleverancier – een groot probleem. Tevens werkt de autobranche tegenwoordig minder met specifieke onderdelen. In een fabriek kunnen op één en hetzelfde platform gelijktijdig auto’s van verschillende merken worden gebouwd.

Dit werken met modulaire componenten gaat steeds verder. Dat vind ik een heel mooi voorbeeld van hoe het in de woningbouw zou kunnen. De prijs van auto’s is naar beneden gegaan, en wat nog mooier is: de fabrikant kan auto’s op maat leveren. Dwars door die ogenschijnlijk geautomatiseerde processen heen, bestel je tegenwoordig een auto met de kleur stoel die jij wilt, de verlichting die jij wilt en met alle elektronische toeters en bellen die jij wilt. Neem dan de bouw. Als je toch ziet dat bijna elk gebouw van scratch on wordt ontwikkeld en gerealiseerd, en dat er zo weinig herhalingseffect zit in het toepassen van standaard componenten.

Vooral in de woningbouw zullen we in 2030 veel meer individueel bouwen. Mensen zijn bereid daarvoor te betalen. De bouwer legt een prijs neer voor een basismodule, waarbij de toekomstige bewoner een grote hoeveelheid opties kan aanschaffen. Die opties maken het tot jóúw huis. En dan gaat het niet alleen om de keuken en de badkamer,maar ook om de buitenkant, het aanzien en de uitstraling. Dat deed men in 1700 natuurlijk ook al. In Amsterdam is geen gevel hetzelfde.

We moeten ook minder huiverig zijn voor sloop. In Duitsland hebben ze de moed om stadswijken veel rigoureuzer te slopen dan wij in Nederland doen. Al wil dit niet zeggen dat we al die wijken uit de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw maar meteen moeten afbreken. Je kan ook denken aan oplossingen waarbij de betonnen karkassen blijven staan, en de gevels op maat, naar wens van de bewoner, worden vervangen.

Lopende initiatieven, zoals BIM, zullen in 2030 veel verder gaan dan we ons nu kunnen voorstellen. De domme, niet-intelligente toeleverancier zal daarbij zijn vervangen door een toeleverancier die wél mee ontwikkelt, die mede risico draagt, en die een geweldige specialiteit opbouwt op het deelgebied waarop hij actief is. Dat is een behoorlijke omslag, want je hebt het ook over een verandering van de risicoprofielen voor ondernemers. Maar waar risico’s zijn, zijn ook kansen. De nieuwe aanpak zal innovaties bevorderen. Want partijen die niet zelf hoeven te ontwikkelen, remmen per definitie de innovatie. Ze hebben er geen belang bij om te innoveren, omdat ze het liefst de dingen blijven maken op de wijze zoals ze altijd al hebben gedaan. Dat is voor hen het gemakkelijkst en het goedkoopst.

De noodzakelijke omslag heeft ook impact op de verhoudingen tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Grote opdrachtgevers en grote opdrachtnemers hebben elkaar ondertussen wel aardig gevonden. Maar tussen grote en kleine bouwers is nog niet zoveel veranderd. Tegen de laagste prijs kopen, zonder de kwaliteit in de beoordeling mee te nemen, is nog te veel de standaard. Dat zal echt moeten veranderen. Er zijn partijen die dit niet gaan bijhouden. Die niet in staat zijn om de risico’s te dragen. Zij kunnen niet aan het innovatie- of ontwikkelproces deelnemen, en zullen afvallen. Andere partijen zullen opstaan. Nieuwe partijen zullen ontstaan. Daarnaast zullen een heleboel bestaande bedrijven deze slag wél weten te maken.

Bij de bouw denken we altijd aan stenen. Maar je moet breder kijken. Neem de installatiebranche. Die denkt heel defensief, voert uit wat de bouwer vraagt. De installatiebranche moet een veel grotere rol gaan spelen. Denk in dit verband ook aan duurzaamheid. De installatiebranche kan daar minstens zo veel aan bijdragen als de bouw. Installateurs moeten een groter risicodragend deel van het werk voor hun rekening gaan nemen. Bij de bouw van tunnels is de technologie zo ongelooflijk ingewikkeld geworden, dat je je kan afvragen waarom installateurs eigenlijk niet de hoofdopdrachtnemer worden. De bouw zal steeds meer aandacht krijgen voor onderhoud. Dat heeft alles te maken met duurzaamheid. Bij duurzaamheid zit de winst vaak over een wat langere periode. Een bouwer die in staat is om goedkoper te bouwen, zal steeds vaker ook het onderhoud voor zijn rekening nemen. Het onderhoud wordt als inkomstenbron belangrijker. Dit heeft dan weer consequenties voor de financiering. Nederlandse banken zijn niet gewend om projecten over een langere looptijd te financieren. Daar zullen ze toch in mee moeten, anders zullen buitenlandse banken deze rol in toenemende mate gaan vervullen.

Er moet dus heel veel gebeuren in de komende 18 jaar. Maar 18 jaar is een lange tijd. In 2030 zullen we zeggen: 2012, dat waren de middeleeuwen – weet je nog hoe er toen werd gebouwd? In 2030 kunnen we ons dat bijna niet meer voorstellen. Denk nu maar eens 18 jaar terug. 1994. Toen hadden we nog geen internet, en de mobiele telefoon was nog zo’n grote doos. In 18 jaar kan er echt heel veel veranderen, en dat zal de komende jaren zeker niet anders zijn.”

Opgetekend door Boudewijn Warbroek

Martin van Pernis

Martin C.J. van Pernis (1945) was tot zijn pensionering in 2010 bestuursvoorzitter van Siemens Nederland en president van de Siemens Groep Nederland. Na zijn pensionering werd hij voorzitter van Vernieuwing Bouw, en president van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs KIVI/Niria. Van Pernis is commissaris bij onder meer Aalberts Industries, ASM International, Dutch Space (voorzitter), Batenburg Techniek (voorzitter) en de voetbalclub Feyenoord Rotterdam. Onlangs werd hij door het kabinet benoemd tot voorzitter van het Adviespunt Klokkenluiders, dat in september van start gaat.

Reageer op dit artikel