nieuws

De Arbiter: Zwartepieten over vertraging nieuwbouw school

utiliteitsbouw Premium 2709

De Arbiter: Zwartepieten over vertraging nieuwbouw school

De nieuwbouw van een school loopt vertraging op. De aannemer wil de opdrachtgever de zwartepiet toespelen. Maar dat gaat zomaar niet.

Wie draait er op voor de gevolgen van een vertraging? Het is een maar al te bekende strijdvraag in de bouw. In dit geval gaat de nieuwbouw van een basisschool later van start.

Het pijnpunt, althans volgens de aannemer: in de Vraagspecificatie staat een dakopbouw voor een decentrale luchtbehandelingsinstallatie (LBI) die niet acceptabel blijkt te zijn voor de welstand. De opdrachtgever weet dat al, maar laat de aannemer in de waan dat er geen probleem is. Verder weigert hij een alternatief van de aannemer, voor een centrale LBI, zonder opgaaf van redenen.

Spoedbodemgeschil

De aannemer wil de afgesproken bouwtijd met 16 weken verlengen en meerkosten van ruim drie ton in rekening brengen, bijna 10 procent van de totale aanneemsom. De opdrachtgever wil daar niets van weten. Hij stelt dat hij om te beginnen een voorgesteld alternatief mag afwijzen. Verder vindt hij dat die afwijzing niets te maken heeft met de initiële afkeuring door de welstand. Daarmee staan ze tegenover elkaar in een spoedbodemgeschil bij de Raad van Arbitrage.

Wijziging weigeren?

De arbiters hakken allereerst een juridische knoop door. Ja, de opdrachtgever mag een voorgestelde wijziging van de Vraagspecificatie weigeren. Voor de juristen onder u: zie paragraaf 15 lid 4 van de UAV-GC 2005. Weigeren mag zelfs zonder opgaaf van redenen. Ze tekenen daarbij aan dat de opdrachtgever overigens wel degelijk een reden heeft opgegeven. De aannemer heeft namelijk verzuimd aan te tonen dat zijn centrale LBI gelijkwaardig is aan de gevraagde decentrale LBI, ondanks verzoeken van de opdrachtgever daartoe.

Liever geen dakopbouw

Een volgende vraag is of en in hoeverre de opgelopen vertraging te wijten is aan een onjuiste Vraagspecificatie. Daarin staat dat de welstand ‘tot en met VO+’ positief zou zijn. Dat klopt inderdaad niet: uit de stukken en de verklaringen op de zitting blijkt dat de welstand van meet af aan geen substantiële dakopbouw wil. Daarom wordt de eerste aanvraag voor een omgevingsvergunning afgewezen. Daarin heeft de aannemer overigens zonder instemming van de opdrachtgever alvast een centrale LBI opgenomen. Maar ook de decentrale LBI uit de Vraagspecificatie zou waarschijnlijk niet zijn geaccepteerd. Dat is echter niet het einde van het verhaal.

Welwillende welstand…

De aannemer heeft namelijk ondanks de onjuistheid in de Vraagspecificatie voldoende tijd gehad. Hij hoort al half maart 2016 van de problemen met de welstand. Overleg tussen een welstandscommissielid en de architect van de aannemer levert zelfs heel snel een oplossing op. Een dakopbouw aan de rand in plaats van centraal op het dak, voorzien van een bakstenen ommuring, is wel acceptabel. Als een plan daarvoor 15 april wordt ingediend, zal de vertraging miniem zijn.

…maar een dwarse aannemer

De aannemer grijpt de geboden oplossing echter niet met beide handen aan, maar blijft proberen zijn alternatief voor een centrale LBI door te drukken. Pas als dat niet lukt, dient hij een aangepaste aanvraag in die op 22 juli wordt geaccepteerd. De vertraging in het afgeven van de omgevingsvergunning is dus helemaal de schuld van de aannemer zelf.

De arbiters vinden wel dat de opdrachtgever verantwoordelijk is voor meerkosten als gevolg van het verplaatsen van de LBI. Daarvoor heeft de aannemer recht op ruim 41.000 euro. Maar zijn overige vorderingen zijn gebaseerd op de door hemzelf veroorzaakte vertraging. Die worden afgewezen. Verder moet hij de proceskosten betalen, net als een bijdrage aan de juridische kosten van de opdrachtgever.


(Meer over dit vonnis is te vinden op raadvanarbitrage.info, onder nummer 35.951)

Reageer op dit artikel