artikel

Uitbreiding van Stadsschouwburg te modernistisch in historische omgeving

utiliteitsbouw

Uitbreiding van Stadsschouwburg te modernistisch in historische omgeving

Uitbreiding van de Stadsschouwburg in Amsterdam is een succesverhaal. Het lijkt bijna alsof dit de enige mogelijkheid was om deze belangrijke functie voor de binnenstad vorm te geven. Jan den Boer vraagt zich af hoeveel van een dergelijk modernisme een historische binnenstad kan hebben en of ook een andere vormgeving mogelijk zou zijn.

Enkele weken geleden liep ik over de Lijnbaansgracht richting Leidseplein.
Ineens werd ik getroffen door een megagrote rode doos in mijn blikveld. Toen ik
dichterbij kwam zag ik dat het ging om een uitbreiding van de Stadsschouwburg en
de Melkweg. Ik had hier wel iets over gelezen, maar als je deze aanbouw
onverwacht voor het eerst ziet vanaf de Lijnbaansgracht, dan is het wel een
grote aanslag op het Amsterdamse stadsbeeld. Hoe is dit mogelijk, wie heeft die
toegestaan? Ik ging op zoek naar kritieken en sprak met betrokkenen en ontdekte
tot mijn verrassing dat dit enorme modernistische bouwvolume op deze historische
locatie vooral een succesverhaal is. Iedereen erkent dat het eigenlijk te veel
is op een plek die het niet aankan, maar vervolgens zijn er tal van andere
argumenten waardoor deze uitbreiding snel en zonder al te veel kritiek of
bezwaren gebouwd kon worden. De projectleider van de Stadsschouwburg, Roelf
Huizenga, vertelt over de verloedering van het Leidseplein, een plek van
lallende en rotzooi trappende toeristen. De Amsterdamse binnenstad heeft
cultuurplekken zoals de Stadsschouwburg nodig om weer meer balans te krijgen in
de bezoekers. De neiging kan ontstaan om vanuit bescherming van de monumentale
binnenstad dit soort grootschalige functies naar buiten te verplaatsen, maar dat
komt uiteindelijk de beleving van de binnenstad niet ten goede. Vanwege deze
door velen gevoelde urgentie is volgens Huizenga het planproces uitermate soepel
verlopen. Ook de Vereniging vrienden van Amsterdam was vrij positief, hoewel ze
ook wel bevreesd zijn voor de precedentwerking van deze ‘grote klont van 40
meter hoog’. Ook in financiële zin is de bouw volgens Huizenga zonder grote
problemen verlopen. Huizenga vertelt het verhaal terwijl we in de foyer staan,
die vanaf de Lijnbaansgracht zo’n massale indruk maakt, maar van binnenuit juist
een prachtig uitzicht geeft over de historische omgeving. Bij al de positieve
verhalen lijkt het bijna alsof er geen andere oplossing mogelijk was op deze
plek. Maar dat blijkt niet zo te zijn, de architect Jim Klinkhamer had in eerste
instantie een plan ontworpen dat meer verwees naar de historische vormgeving van
deze locatie, het fabriekskarakter van de omgeving, met houten geveldelen en
sheddaken. Dit ontwerp is echter afgekeurd door welstand, met name vanwege het
gebruik van hout voor alle gesloten geveldelen. Hout zou te riskant zijn, omdat
het op den duur door veroudering een verarmd beeld zou kunnen geven, ondanks
nieuwe en veelbelovende conserveringstechnieken. Jim Klinkhamer heeft naar
aanleiding van de afwijzing van het gebruik van hout een licht nieuw materiaal
ontwikkeld dat niet vlak en egaal is, maar waarin diepte te zien is, dat door
lichtval en kijkhoek wisselt van kleur en helderheid. De belangrijkste kleuren
uit de locatie heeft hij gemengd in een metalen ‘weefsel’ dat ontleend is aan
‘changeant’ stof. Steenrode metallic golfplaat afgedekt met een sterk
geperforeerde en kantig geplooide leigrijze metalen laag. Het is een
interessante vraag of deze rode doos anno 2009 nog steeds gebouwd zou mogen
worden op deze plek, of dat er nu toch een meer op historische vorm- en
materiaalthematiek gebaseerde inpassing gezocht zou moeten worden, nu steeds
meer architecten een verbinding vinden tussen historische kwaliteiten en
eigentijdse vormgeving. Het heeft mij dikwijls verbaasd dat welstand projecten
wel afkeurt omdat ze ‘historiserend’ zijn, maar zelden omdat ze te modernistisch
zijn in een historische omgeving. De uitbreiding van de Stadsschouwburg roept
opnieuw de vraag op hoeveel modernisme een historische omgeving kan hebben om
zijn kwaliteiten nog te behouden. Jim Klinkhamer vindt de uitbreiding heel goed
passen in de omgeving. Hij heeft een uitgebreide studie gedaan naar de eerdere
transformaties van deze gordel van de Amsterdamse binnenstad en vindt, dat dit
ontwerp past in die sterke dynamiek. Wat vindt één van de Amsterdamse
architecten die deze verbinding tussen oud en nieuw al op veel plekken heel knap
vormgegeven heeft, Sjoerd Soeters, van uitbreiding van de Stadsschouwburg? Hij
is hierover verrassend genuanceerd. “Ik heb wel waardering voor het bouwwerk,
omdat het laat zien hoe we in de binnenstad worstelen met vernieuwing en
programma’s, die vaak ook gepaard gaan met de noodzakelijke schaalvergroting.
Wanneer we de binnenstad levend willen houden zijn dit soort
intensiveringsoperaties soms noodzakelijk, omdat dergelijke programma’s anders
geneigd zijn te verdwijnen naar de buitenkant van de stad.” Toch ziet ook
Soeters de nadelen van deze forse uitbouw: ” Van grotere afstand is een forse
aantasting zichtbaar van het stadsbeeld.” We zullen het nooit weten, maar ik ben
wel nieuwsgierig hoe architecten als Soeters deze plek nu vorm zouden geven, nu
de macht van de dogmatische modernisten aan het afnemen is.

Jan den Boer
Stedenbouwkundige en filosoof

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels