nieuws

Adaptieve planning als redding voor complexe bouwprojecten

infra

Tegenvallers rond grote (ruimtelijke en infra)projecten domineren weer het nieuws. Dit keer geven de prestaties van enkele grote bouwers aanleiding voor de vraag of men wel ‘in control’ is en of de prijs wel goed was. In het recente verleden werd dezelfde vraag gesteld over het overheidsoptreden op grote projecten als HSL en Betuweroute.

Juist bovenstaande vraag is de bron van de problemen rond grote projecten. Het is een hardnekkige vraag die samenhangt met ons diepgewortelde geloof in beheersing ‘1.0’. Het plannen en uitvoeren van meerjarige ruimtelijke en infraprojecten is echter net als het opvoeden van kinderen; hoe strakker je de teugels aantrekt, hoe meer grip je verliest, want ze gaan toch hun eigen weg. Bij projecten betekent dat vaak een overschrijding van het budget en de oplevertijd en verlies aan kwaliteit. Ik pleit voor een adaptievere planning, een ‘aanpak 2.0’.

Nieuwe inzichten in de (ruimtelijke) planningtheorie gaan er vanuit dat het misschien wel belangrijk is om een heel andere benadering te volgen. In de recente reacties op de tegenvallers komen we vaak het woord ‘complexiteit’ tegen zonder dat men beseft wat dit inhoudt. Het is echt iets anders dan ‘ingewikkeld’! Complexiteit heeft alles te maken met complexe systemen. Zo’n systeem heeft een aantal kenmerken, waaronder een grote mate van variëteit. Het systeem is vatbaar voor selectie, keuzes, beïnvloeding. Er is veel samenspel tussen de actoren, de elementen van zo’n systeem. Daardoor mislukt directe planning bij voorbaat. Wat je moet doen, is de context plannen en het systeem verder ‘zijn eigen gang laten gaan’. Concreet houdt dit in dat je spelregels opstelt die een variëteit aan oplossingen mogelijk maken en diverse actoren prikkelt 1 gemeenschappelijk doel na te streven.

Dat heb ik verder uitgewerkt in mijn proefschrift, door drie cases te bestuderen waarin innovatieve manieren van samenwerken zijn toegepast: de Waardse Alliantie, het Montaigne-Lyceum in Den Haag (een van de eerste dbfm-projecten in Nederland) en de A2 Maastricht.

Lessen

Wellicht dat enkele lessen uit mijn onderzoek kunnen helpen in de toekomstige ‘aanpak 2.0’ van grote projecten.

Integreer en heers

De valkuil in de aanpak 1.0 en die nu weer opspeelt in de recente discussie is de ‘vertical split’ binnen het private consortium (of zelfs binnen één bedrijf tussen dochterondernemingen). Ik ontdekte in mijn promotieonderzoek dat dit projecten behoorlijk parten kan spelen. Het past niet bij een complex systeem. Wat wel succesvol blijkt is een onvoorwaardelijke gemeenschappelijke structuur met partijen die op elkaar betrokken zijn en niet, zoals in de aanpak 1.0, ieder met hun eigen deel van de koek bezig zijn.

Daarbij is het een voordeel dat je meerdere jaren tot elkaar veroordeeld bent; je krijgt geen hit- and run-situaties. Belangrijk is hierbij dat de projectorganisaties aan de private en ook publieke kant, gericht kunnen zijn op het project en minder strak worden aangestuurd door hun moederorganisaties.

Ga om met onvermijdelijke veranderingen

In de drie projecten komen fasen voor waarin de plannen nauwelijks levensvatbaar leken. De Waardse Alliantie begon bijvoorbeeld met een competitie die op laagste prijs werd gewonnen. Al bij de start van het project was het plan verouderd, want het knooppunt voldeed niet, de brandweer klaagde, de grondverwerving vertraagde, etc.

Het project is vlot getrokken door voor een alliantie te kiezen; de private en de publieke organisaties werden voor een deel samengevoegd. Belangrijker is nog dat deze organisatie het plan voortdurend mocht aanpassen binnen bepaalde criteria, ook tijdens de realisatie. Zo kon constant worden geoptimaliseerd om risico’s en nieuwe ontwikkelingen te pareren (of te omarmen) en daarmee ook geld te verdienen of te besparen. Een aanpak 2.0, zelfs de ‘natuurlijke splitsing’ tussen overheid en bedrijven is hier overwonnen, en daarmee werd een basis geleld om de complexe werkelijkheid en inherente onzekerheden op een effectieve wijze tegemoet te treden.

Kijk om je heen

Een laatste les die ik niet ongenoemd wil laten is de noodzaak om omgevings- en gebruikersorganisaties een volwaardige rol te geven in het project. In grote projecten hebben de overheid en consortia vooral oog voor elkaar. Uiteindelijk bepalen in de praktijk direct of indirect de ‘afnemers’: gebruikers en de omgevingspartijen, of een project tot stand komt en overleeft en niet alleen de ‘aanbieders’: overheid en bedrijven. Als onderdeel van een complex systeem is het onmogelijk ze (‘ongestraft’) buiten beeld te laten.

Als we verouderde structuren en klassiek denken loslaten, bereikt de bouwsector de mooiste resultaten. En die mogen er nog steeds zijn!

Frits Verhees Docent honorair planologie, Rijksuniversiteit Groningen

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels