nieuws

Speelveld watersector verandert, specialiteit als verkoopargument

infra Premium

De grote baggeraars draaien internationaal uitstekend. Maar de meeste toegevoegde waarde zit nogal eens in het constructieve deel van projecten. Een gemiste kans voor Nederlandse bedrijven, meent Arie Mol. Lennart Silvis ziet in hun vermogen tot vruchtbare samenwerking in integrale projecten ook een kwaliteit.

Het is een vertrouwd beeld. Waar havens worden aangelegd, verschijnen Nederlandse schepen. De baggersector weet sinds jaar en dag een groot deel van de vrije wereldmarkt te bedienen. Een groot succes, maar een relativering is op zijn plaats, vindt Arie Mol van ingenieursbureau LievenseCSO. “Baggeraars werken meestal als onderaannemer van andere grote partijen. Dat is heel anders dan als con- structieve bouwer een complete haven zelf bouwen.”

Laten nu net de constructieve bouwers uit Nederland de buitenlandse markt circa vijftien jaar geleden grotendeels vaarwel hebben gezegd. De reden was dat ze meenden aan de binnenlandse markt meer te hebben. Dat was na een aantal risicovolle grote projecten in het buitenland aan de ene kant en zicht op volop financieel aantrekkelijke werken op de Nederlandse markt aan de andere kant. Directeur Lennart Silvis van het NWP, het samenwerkingsverband van de Nederlandse watersector: “Nu merken we dat bouwers weer meer naar het buitenland beginnen te kijken.”

Silvis vindt het maar de vraag of bedrijven moeten ernaar streven de grote integrale projecten in ‘s werelds grootste stedelijke regio’s in hun geheel binnen te halen. “Ik denk dat de complexiteit van de toekomstige grote projecten in de groeiende megasteden dermate groot is, dat nog maar heel weinig concerns die in hun geheel aankunnen.”

De uitdaging is volgens hem voor zowel de Nederlandse als de buitenlandse bedrijven dat ze erin moeten slagen samenwerkingsverbanden te smeden voor zulke opgaven. Het aanbieden van een niche – zoals ervaring met afzinktunnels of natuurvriendelijk baggeren – leidt wellicht niet tot hoofdaannemerschap maar wel tot werk.

Als voorbeeld hiervan noemt Silvis de aanleg van een metro in Riyadh, een project dat wordt getrokken door een Spaanse aannemer, maar waaraan het Nederlandse Strukton wel “voor een enorm bedrag” meewerkt. “Ongeveer 1 miljard euro, en dat dankzij een specialiteit van het bedrijf. Zo kun je binnen consortia ook bij megaprojecten, vanuit de kracht die je hebt in niches, substantieel aan de weg timmeren.”

Van de grote civiele aannemers ziet Mol vooralsnog alleen bij BAM nog “een serieuze buitenlandstrategie” van de grond komen. “Sinds een paar jaar. Dat gaat redelijk succesvol, maar het bedrijf blijft een relatief kleine speler.”

Ook de ingenieursbureaus laten het volgens hem afweten. Weliswaar haalt een aantal grote bureaus veel omzet uit het buitenland, maar dat blijkt nader beschouwd vaak het werk van buitenlandse dochters. “Neem Arcadis. Dat bedrijf is succesvol geweest met zijn strategie om in verschillende landen bedrijven te kopen die het als interessant beschouwde. Dat is goed gedaan, maar dat betekent niet dat Arcadis vanuit Nederland zoveel exporteert. Wat namens het bureau in Amerika gebeurt, of in Brazilië, doen de Amerikanen en de Brazilianen gewoon zelf.”

Met een aantal niches timmeren verschillende ingenieursbureaus vanuit Nederland wel wereldwijd aan de weg, weet Mol. Succesvol, net als de baggeraars het op hun gebied goed blijven doen. Denk aan de advisering ten behoeve van afzinktunnels door TEC. “Maar kijk naar de grote agglomeraties in de wereld, in opkomende economieën zoals China en andere Aziatische landen, of in Brazilië: daar spelen zij geen grote rol. Tenzij ze er toevallig een dochter hebben die ze in het verleden hebben gekocht. Zoals Arcadis in Brazilië.”

Voor Azië maar ook daarbuiten geldt, zoals in waterbouwkringen wel beeldend wordt geformuleerd: de Chinezen komen langszij. Inmiddels kan ook de baggersector zijn borst nat maken. Met het hele palet aan gww-diensten trekt de Chinese concurrentie op naar het Midden-Oosten, Afrika en Zuid-Amerika. Financieel concurrerend en ook de kwaliteit zou voor opdrachtgevers weinig te wensen overlaten. Mol: “Op de Chinese thuismarkt is de afgelopen decennia heel veel gebouwd. Het niveau van kennis en kunde is heel behoorlijk. Ook beschikken ze over goed materieel.”

Hoog tijd kortom voor de Nederlanders om hun nieuwste troeven door te blijven ontwikkelen zodat ze optimaal zijn uit te spelen. Die troeven zijn, weet Silvis, slimme oplossingen die opdrachtgevers meerwaarde bieden. Zodanig dat ze de prijs ervoor over hebben die Nederlandse bedrijven moeten rekenen gezien hun kostenniveau dat hoger is dan dat in bijvoorbeeld China.

Silvis: “Aan het kostenniveau van bedrijven in Nederland valt weinig te doen; we moeten het hebben van kwaliteit. De complexiteit van watervraagstukken neemt toe. Nederlandse partijen weten goed verschillende belanghebbenden bij elkaar te brengen om zo tot een voor een hele omgeving optimaal project te komen.”

Bouwen met de natuur is verder een van de nieuwe troeven. Het draait daarbij om een aanpak die een meerwaarde kan hebben op het gebied van zowel uitvoering, natuur, milieu als landschap. Naast extra toegevoegde waarde kan bouwen met de natuur ook leiden tot lagere kosten. Dat werd bijvoorbeeld bewezen met de Zandmotor voor de Zuid-Hollandse kust. Eén keer een flinke hoeveelheid zand op een locatie storten, maakt in een uitgestrekt gebied jarenlang kostbare strandsuppleties overbodig. Ook Ruimte voor de Rivier-projecten zijn, zo ziet de NWP-man, voorbeelden waarbij waterveiligheid en andere nuttige doelen hand in hand gaan, inclusief de mogelijkheid van relatief gunstige kosten.

Mol waarschuwt dat toegevoegde waarde op het gebied van ecologie en milieu een interessante ontwikkeling is, maar dat tegelijkertijd de bereidheid bij de meeste opdrachtgevers om extra te betalen voor dit soort zaken “heel beperkt” is. “Zeker in de opkomende landen.”

Silvis is hierover optimistischer. “Zodra de middenklasse groter wordt, zie je dat meer waarde wordt gehecht aan de kwaliteit van de leefomgeving.”

Projecten

Dat buitenlandse concurrentie de Nederlandse waterbouw links en rechts kan inhalen, blijkt geen sprookje. Silvis verwacht dat de wereldmarkt de komende decennia flink groeit, reden waarom ook bij een dalend marktaandeel de Nederlands sector absoluut flink kan groeien.Mol en Silvis schatten de dreiging voor de sector enigszins verschillend in. Belangrijk is, menen ze allebei, dat Nederland zich blijft onderscheiden op de deelmarkten waarop het traditioneel sterk is. Reden voor waterbouwers om te pleiten voor innovatieve voorbeeldprojecten. Die zijn nodig om kennis en ervaring op te doen en vervolgens een visitekaartje te hebben voor de buitenlandse markt. De Zandmotor en de Ruimte voor de Rivier-werken zijn een welkom feit. Zowel Mol als Silvis hoopt op nieuwe initiatieven die minstens even spraakmakend zijn. Deltaveiligheid is, weten ze, wereldwijd een groeiend thema. Mol merkt op dat de laatste in Nederland gebouwde stormvloedkering alweer twintig jaar oud is. “Hoog tijd om op dat gebied een nieuwe ervaring toe te voegen.” Doorontwikkeling van het Ecoshape-programma moet het steeds beter mogelijk maken deltaveiligheid en verbetering van natuur- en waterkwaliteit hand in hand te laten gaan. De initiatieven vanuit de overheid vor het Dutch Risk Reduction Team en de financiering daarvan kunnen wel degelijk leiden tot een betere positie van de Nederlandse waterbouw. Nog een kansrijke groeimarkt, waarin een aantal Nederlandse bedrijven, zoals Van Oord en Ballast Nedam, zich wil manifesteren, blijkt de bouw van offshore windmolenparken.

Reageer op dit artikel