nieuws

Bos vol roestige machines vertelt verhaal van Nederlanders en water

infra Premium

De havenbekkens van Ijmuiden en Rotterdam, maar ook die van Lagos, Bangkok, Libië en tientallen andere steden. Ze zijn te vinden in een hoekje van de Noordoostpolder waar ingenieurs van het Waterloopkundig Laboratorium er sinds de jaren vijftig onderzoek naar deden. Natuurmonumenten probeert het Waterloopbos aan de vergetelheid te ontrukken.

Een dichtbegroeid bos met her en der stukken roestig staal en merkwaardige gemetselde en betonnen bouwsels. Dat kreeg Natuurmonumenten in 2002 overgedragen van het Waterloopkundig Laboratorium. Sinds de jaren vijftig waren schaalonderzoeken uitgevoerd in een hoekje van de Noord-Oostpolder iets boven Kraggenburg. Havenbekkens, zeearmen en complete riviersystemen waren door de ingenieurs zorgvuldig op schaal nagebouwd. Met een ingenieus systeem van watergangen, sluizen en kleppen stuurden ze daar water doorheen om zo meer aan de weet te komen over hoe de waterwerken zich in de werkelijkheid zouden gedragen.

De opmars van computersimulaties maakte dergelijk modelonderzoek begin jaren negentig overbodig. Tien jaar na de laatste proef was er weinig meer terug te zien van de activiteiten van de waterbouwers.

De natuurwaarde van het Waterloopbos was volgens boswachter Norbert Kwint van Natuurmonumenten wel gemakkelijk te onderkennen. Kort na de drooglegging van de polder was er een keur aan bomen geplant. Een beetje lukraak misschien, maar de leemhoudende bodem neergelegd tijdens de voorlaatste ijstijd, was ongeschikt voor landbouw. Voor bomen bleek het echter vruchtbare grond. Zestig jaar na aanplant bleken de bomen in het bos zijn net zo groot en dik als honderd jaar oude exemplaren op de Veluwe. Het overvloedige groen trok op zijn beurt bijzondere diersoorten aan zoals libellen en ijsvogels. Na ruim een halve eeuw was er natuur genoeg op dit hoekje van de oude Zuiderzeebodem.

Om ook een bouwkundig monument te zien in het bos, daar was volgens Kwint in 2002 heel wat verbeeldingskracht voor nodig. Niemand was daar op dat moment ook mee bezig. Het waterloopbos was altijd in de eerste plaats een werkterrein geweest. Gebruiksgebied. Als een proef tot een eind was gebracht lieten de waterbouwkundigen het gebied aan hun lot over, totdat er een opdracht kwam voor een nieuwe proef. Op 35 plekken in het bos voerden ze in totaal zo’n vierhonderd experimenten uit. Naast de stromingsmodellen stonden her en wat gebouwtjes voor de onderzoekers. Veredelde bouwketen eigenlijk. En een paar lelijke bedrijfshallen. Vaak vol asbest. Dat was de erfenis die het Waterbouwkundig Lab naliet.

Zelfs water was in 2002 nauwelijks meer te vinden in het bos. Want bij hun geleidelijke terugtrekking hadden de waterbouwers de sluizen en stuwen dichtgezet en werd er geen water meer ingelaten. De nagebootste rivierbeddingen waren veranderd in droge greppels, waarin bomen en struiken waren opgeschoten. Het Waterloopbos was rond de eeuwwisseling een droog bos geworden.

Dik tien jaar later is de situatie heel anders. Voor bezoekers ontvouwt zich een spannend bos met kronkelende paden, dat weer het verhaal vertelt van Nederlanders en het water. Niet alleen hun eigen water, maar van water van over de hele wereld. Want behalve langs de inlaatsluizen voor het Volkerak, de havenmond van IJmuiden en koelwaterbassins voor de Maasvlakte voert de wandeling langs de havens van Bangkok, Lagos en Marsa el Bregha. Deze laatste Libische havenplaats is het onbetwiste hoogtepunt in het bos. Een mooi ven omgeven met de restanten van wonderlijke golfmachines en een roestige meetbrug. Een houten vlonder voert de bezoekers dwars door de opstelling.

Bijzonder vindt Kwint ook het model van de nieuwe waterweg van Hoek van Holland tot aan Rotterdam, dat door het hele bos heen slingert. Kenners zullen het Noordereiland in het centrum van de Maasstad ontwaren, ook al is het niet bebouwd. “In de jaren zeventig deden we hier proeven voor het afzinken van de elementen van de Willemspoortunnel”, vertelt Abe Hoekstra die Kwint op zijn tocht door het bos vergezelt. Hoekstra kwam in 1966 in Kraggenburg wonen en werkte meer dan dertig jaar in het bos. Tegenwoordig is Hoekstra als vrijwilliger gids in zijn oude werkterrein. Hij vertelt de bezoekers de verhalen die de roestige installaties niet vanzichzelf prijsgeven. Zoals die van de slimme Romijnstuwen met hun kleppen van het destijds moderne aluminium, die werden aangestuurd door vlotters en analoge elektronica. Of van de gemetselde venturi’s om de debieten in de verschillende stromingsmodellen te kunnen bepalen.

Wie met Hoekstra en Kwint door het bos loopt waant zich in een andere wereld. Met snelstromende beken die je in Nederland niet zo veel tegenkomt. Dat is mogelijk door het waterstandsverschil van ruim vier meter tussen de boezem, het Vollenhovens kanaal en de Zwolse Vaart die het water uiteindelijk uitslaat op het IJsselmeer. De ingenieurs maakten handig gebruik van dat natuurlijk verval. Om erosie tegen te gaan zijn de oevers en de bodems van de beken royaal bekleed met betonnen stoeptegels. Maar dat stoort allang niet meer. De tegels zijn bemost en opgenomen in het groen van de omgeving.

Kwint hoopt verder te kunnen met de ontwikkeling van het bos. Door de status van rijksmonument die ophanden is komt daarvoor hopelijk het geld vrij. Ook wordt het waarschijnlijk gemakkelijker om sponsors aan te trekken. Dat er meer overwoekerde testopstellingen worden vrijgemaakt verwacht de boswachter niet. De pronkstukken zijn inmiddels wel ontsloten, ontdaan van begroeiing en weer deels onder water gezet.

Maar Natuurmonumenten wil het verhaal achter het bos beter beleefbaar maken. Door sommige opstellingen verder te reconstrueren. Misschien wel opnieuw opmetselen uit gebakken klinkers, omdat die de tand des tijds beter doorstaan dan het kalkzandsteen dat de ingenieurs gebruikten. Verder hoopt Kwint het mogelijk te maken om met apps voor een mobiele telefoon beelden uit het verleden op te roepen of juist recente beelden van de plek die op schaal is nagebouwd en inmiddels natuurlijk ingrijpend veranderd is. Het model van de koelwaterbekkens voor de Maasvlakte wordt waarschijnlijk verbouwd tot speelterrein. “Dan kunnen kinderen waterbouwertje spelen op een schaal die de gemiddelde Nederlandse waterspeeltuin royaal overstijgt.”

Terwijl Kwint druk bezig is met dergelijke plannen komt er volgend voorjaar nog een object bij: de Deltagoot. Natuurmonumenten zit nog in haar maag met die 220 meter lange en 7 meter diepe bak waarin Deltares tot op de dag van vandaag golfproeven uitvoert. In Delft wordt een groter exemplaar gebouwd waar hogere golven worden opgewekt terwijl tegelijkertijd een getijcyclus wordt doorlopen. Zodra die nieuwe goot, nu met de Engelse naam Delta Flume, wordt opgeleverd wordt de oude overgedragen aan Natuurmonumenten. Wat ze ermee moeten? Kwint heeft nog geen flauw idee. Plannen zijn welkom. Er zal vast wel een keer iemand met een goed idee komen, maar tot die tijd blijft de angstaanjagend diepe bak gesloten voor publiek. “Het geeft niet”, besluit de boswachter. “Het Waterloopbos geeft zich niet zo snel gewonnen. We hebben het afgelopen tien jaar ook stapje voor stapje ontwikkeld. Daar gaan we rustig mee door. Vroeg of laat komt er ook een mooie bestemming voor de Deltagoot.”n

Reageer op dit artikel