artikel

‘Oude’ infrastructuur efficiënt aanpakken

infra

‘Oude’ infrastructuur efficiënt aanpakken

Veel infrastructuur zoals bruggen, viaducten en sluizen bereiken de komende jaren hun ontwerplevensduur. Niet alleen in Nederland, maar in heel West-Europa. Omdat de instandhouding van deze kunstwerken omvangrijke financiële consequenties heeft, is efficiëntie in de omgang hiermee essentieel, betoogt Arie Bleijenberg van TNO.

We moeten niet te vroeg repareren of renoveren, zodat we onnodig kosten maken, maar ook niet te laat, waardoor incidenten plaatsvinden en we ook weer duurder uit zijn. Om op het juiste moment de juiste ingrepen te kunnen doen, zouden Europese landen zo snel mogelijk samen het benodigde kennisinstrumentarium verder moeten ontwikkelen. De beheerders van de infrastructuur moeten daarbij het voortouw nemen.

Veel kunstwerken werden ontworpen om 50, 80 of 100 jaar mee te gaan. Er zijn veel bruggen, viaducten en sluizen waarvan we niet precies weten van welke materialen ze destijds zijn gemaakt, hoe zwaar ze belast zijn en hoe ze in de loop van de jaren zijn gerepareerd. TNO werkt – samen met andere partijen – aan het ontwikkelen van een instrumentarium dat het mogelijk maakt efficiënte beslissingen te nemen over maatregelen voor veilige verlenging van de levensduur. Zo ontwikkelen we nieuwe meetmethodes om de huidige staat te beoordelen, maken we betere modellen om verborgen sterktes aan te kunnen tonen en kunnen we steeds nauwkeuriger de resterende levensduur voorspellen.

Samen met de TU Delft en Rijkswaterstaat voerde TNO bijvoorbeeld een kennisprogramma uit rondom de veiligheid van oudere betonnen viaducten. Door de kennis die we ontwikkelden, konden we de veiligheid van de constructies aantonen. Dit bespaarde maar liefst 8 miljard euro aan onnodige vervanging in de komende 25 jaar. Daarnaast werkt TNO ook aan de ontwikkeling van een monitoringssysteem om scheurvorming in stalen rijdekken te kunnen meten, gekoppeld aan een beter voorspellend model. De verwachting is dat het moment van renoveren met 5 tot 10 jaar naar achteren geschoven kan worden. Dit betekent uiteraard ook een grote besparingspost voor overheden.

In november 2014 nam TNO het initiatief tot een workshop waar zusterorganisaties en overheden uit West-Europese landen aanwezig waren. Thema was levensduurverlenging van verouderende bestaande kunstwerken en de belangrijkste zaken die zouden moeten gebeuren, willen we het noodzakelijke onderhoud zo efficiënt mogelijk kunnen doen. De uitkomst was een agenda met een programmatische aanpak die we gefaseerd willen uitvoeren: de belangrijkste kennisontwikkeling (die de meeste besparing oplevert) eerst. Daarnaast was een van de uitkomsten dat er alle reden is voor een groter gevoel van urgentie. Omdat de baten van levensduurverlenging bij de beheerders van infrastructuur – meest overheden – terechtkomen, moeten zij hierbij het voortouw nemen.

We kunnen dit probleem het best in Europees verband aanpakken. De reden hiervan ligt voor de hand: we hebben immers te maken met dezelfde problematiek. Als ieder land het wiel zelf gaat uitvinden, betekent ook dit een onnodige verspilling van geld en tijd. Want het is niet niks waar we het over hebben. In Nederland spenderen we volgens bestaande schattingen tussen de 6 en de 9 miljard euro per jaar aan instandhouding van onze gehele infrastructuur. Onze inschatting is dat we minimaal 1 miljard per jaar kunnen besparen, als we het kennisinstrumentarium verder ontwikkelen. Deze kennisontwikkeling betekent naast grote besparingen ook nauwkeuriger gegevens over de langere termijn budgettering die nodig is. Beter zicht op de levensduur van onze verouderende infrastructuur betekent voor overheden dus meer controle, en meer zekerheid. Hoogste tijd dus voor overheden om – in samenwerking met Europese collega’s – door te pakken, omdat zij van de besparingen zullen profiteren.

Ir. Arie Bleijenberg, Business Director Infrastructure TNO

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels