artikel

Forse ingrepen nodig voor waterveiligheid

infra Premium

Forse ingrepen nodig voor waterveiligheid

Het Deltaprogramma komt niet met afdoende maatregelen voor de waterveiligheid, vindt Clemens de Witte. Hierdoor loopt de Randstad gevaar.

Het water bedreigt ons van twee kanten: van zee en van de rivieren. Waar die watermassa’s elkaar ontmoeten, ligt veel land meters beneden zeeniveau. Het ontwerp Nationaal Waterplan bracht met onderstaande illustratie de waterproblemen van de Randstad in beeld. Alleen al om Zuid-Holland Zuid in de komende vijftig jaar te beschermen is 6 tot 8 miljard euro nodig.

Op Prinsjesdag wordt bekendgemaakt dat grote systeemingrepen niet meer worden meegenomen in het Deltaprogramma.Volgens ons een faliekant foute keuze. De Randstad loopt hierdoor direct gevaar.

Systeemingrepen zijn wel degelijk op korte termijn nodig om de geschetste problemen op te lossen door het omslagpunt zee en rivieren te verleggen naar een regio met veel minder risico’s en waar voldoende waterbergend vermogen te realiseren is. Maar het Deltaprogramma komt niet met afdoende maatregelen voor waterveiligheid, zoetwatervoorziening en milieu. Het voorstel op Prinsjesdag moet dan ook in het landsbelang door de Tweede Kamer worden teruggedraaid.

De eerste Deltacommissie wilde na de Watersnoodramp maar al te graag de kustlijn verder sluiten, zoals dat ook gebeurd was bij ons grootste zeegat, de Zuiderzee. Het zou echter anders lopen: de Deltawerken verminderden de dreigende zeegatdynamiek, maar de Westerschelde en de Nieuwe Waterweg zijn vanwege de havens in open verbinding gebleven met de zee. Beide vormen de grootste bedreiging voor laag Nederland.

Verzilting

Na de Deltawerken stopte de zoetwateraanvoer naar het zuidwesten en kwamen de Zeeuwse eilandpolders volledig tussen het zout te liggen. Verzilting wordt langzaam een groot probleem. Het is zeker geen oplossing is om het zoute water en getijde met open armen binnen te halen. Alleen na afsluiting van de Nieuwe Waterweg kan met zoet water tegendruk gegeven worden om de sluipende verzilting van Nederland terug te dringen. Dit wordt daarmee een van de belangrijkste resultaten van de verplaatsing van het omslagpunt.

Sinds de Deltawerken wordt het merendeel van het rivierwater naar de Nieuwe Waterweg geleid om daar zoutindring tegen te gaan. Bij eb verdwijnt via de open monding tweemaal daags een enorme zoetwaterbel in zee en bij vloed schuift een zoute tong over de rivierbodem steeds verder landinwaarts. Het getij in de Nieuwe Waterweg maakt bovendien dat het water met kracht door het Spui en de Dordtse Kil stroomt en de dijken ondermijnd. Niet alleen daarom ligt het omslagpunt zee en rivieren op de verkeerde locatie, het ligt tevens tegen het gebied met de meeste bodemdaling en aan de meest kwetsbare dijkring van Nederland. Ook voor het rivierengebied blijkt dat deze landinwaartse ligging heel wat risico’s met zich meebrengt. Tal van dijkverhogingen zijn nodig voor het stijgende water, dat bij piekafvoer door gebrek aan berging niet genoeg kan doorstromen. Zowel de huidige ligging van het omslagpunt als het ontbreken van een ruime nationale noodberging geven een hoog waterveiligheidsrisico. Dit vraagt om daadkracht voor systeemingrepen van formaat.

Pas na aanleg van Zeesluizen voor de Nieuwe Waterweg kan het zoete water weer naar het Haringvliet stromen. Dit haalt de Randstad uit de gevarenzone, roept een halt toe aan de verzilting en maakt dat er voldoende zoet water beschikbaar komt voor de landelijke wateropgaven. Door routeverlenging naar zee, de zogenaamde S-bocht, komt het omslagpunt zee en rivieren in de Grevelingen te liggen, centraal in de nationale noodberging, die gevormd wordt door de gekoppelde voormalige zeegaten. Hoewel we de noodzaak van dijkverbetering nadrukkelijk onderschrijven, zal het toegenomen oppervlak aan waterberging maken dat de meeste dijktrajecten minder urgent hoeven te worden verhoogd of versterkt. Dit brengt immers het beschermingsniveau omhoog, omdat bij hoge rivierafvoeren het moment van een kritieke situatie in het rivierengebied langer uitblijft. Enige tijdwinst bij de immense inhaalslag van het dijkonderhoud is zeer welkom.

Andere aanpak

Een nationaal kader en integrale systeembenadering kunnen leiden tot een fundamenteel andere aanpak van het Deltaprogramma en tot aanpassing van het Nationaal Waterplan.

Met een goede maatschappelijke kosten- en batenanalyse kunnen plannen vergeleken worden op hun bijdragen aan waterveiligheid, zoetwatervoorziening en milieu. Ook het verplaatsen van het omslagpunt zee en rivieren vraagt nog om deskundige uitwerking. Dit lijkt ons een taak en de verantwoordelijkheid van de landelijke overheid.

Clemens de Witte, adviesgroep Borm & Huijgens

Reageer op dit artikel